ECLI:NL:RBLIM:2026:8231
Rechtbank Limburg
- Uitspraak
- 10 augustus 2026
- Zaaknummer
- ROE 24/2655
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht; Omgevingsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie
Beroep tegen de afwijzing van een handhavingsverzoek voor de vestiging van een hotel en een hostel. De rechtbank is van oordeel dat de norm van een goede ruimtelijke ordening, gelet op het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste, niet strekt tot bescherming van de belangen van eisers. De rechtbank zal dan ook niet overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden. Het beroep is ongegrond.
Uitspraak
Procesverloop
3. Met het besluit van 27 juli 2023 heeft het college het verzoek om handhaving van eisers afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 maart 2024 op het bezwaar van eisers is het college onder aanvulling van de motivering bij dat besluit gebleven. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
4. Het college heeft op het beroep met een verweerschrift gereageerd.
5. De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eisers, de gemachtigden van het college (met uitzondering van mr. J. Stoop) en de gemachtigden van de derde-partij.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
6. Eisers exploiteren ieder een hotel aan de [adres 3] in [plaats 2] respectievelijk de [adres 4] in [plaats 3] .
7. Op 28 februari 2023 hebben eisers het handhavingsverzoek ingediend. Volgens eisers wordt een hotel en een hostel gevestigd waar derden die geen topsporters zijn kunnen overnachten, terwijl dit planologisch niet is toegestaan. Het college heeft bij brief van
9 mei 2023 aangegeven voornemens te zijn om het handhavingsverzoek af te wijzen, omdat er volgens het college geen klaarblijkelijk gevaar voor een overtreding was maar enkel sprake was van voorbereidende werkzaamheden in afwachting van een omgevingsvergunning of terinzagelegging van een ontwerpbestemmingsplan voor een hotel en een hostel.
8. Naar aanleiding van een door eisers ingediende zienswijze tegen het voornemen om het handhavingsverzoek af te wijzen, heeft het college bij brief van 2 juni 2023 een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom naar de derde-partij verstuurd. Volgens het college zou sprake zijn van een klaarblijkelijke dreigende overtreding. Daartegen hebben zowel eisers als de derde-partij een zienswijze ingediend. De derde-partij heeft ook nog eerder een aanvraag om een omgevingsvergunning op 18 maart 2021 ingediend en in dat kader heeft het college op 23 juni 2023 een ontwerpbesluit genomen voor het herstemmen en wijzigen van het interieur van klooster [naam klooser] op het adres [adres 1] in [plaats 1] (het hotel). Daarnaast heeft het college op 26 juni 2023 een tijdelijke toestemming (gedoogbeschikking) gegeven om de horeca-inrichting te mogen exploiteren als hotel voor topsporters.
9. Vervolgens heeft het college bij brief van 3 juli 2023 eisers bericht dat hij voornemens is om hun handhavingsverzoek af te wijzen. Volgens het college is namelijk sprake van een concreet zicht op legalisatie met betrekking tot het openen van een hotel zonder de daarvoor vereiste vergunningen, gelet op het ontwerpbesluit van 23 juni 2023 en de tijdelijke toestemming van 26 juni 2023. Daartegen hebben eisers een zienswijze ingediend. Daarna heeft het college bij besluit van 27 juli 2023 het handhavingsverzoek afgewezen. Daartegen hebben eisers bezwaar gemaakt. Ook heeft het college op
28 december 2023 het ontwerpbestemmingsplan ‘ [naam ontwerpbestemmingsplan] ’ ter inzage gelegd dat voor zowel het hotel als het hostel geldt waarin onder andere sportgerelateerd verblijf voor het hotel en verblijf voor het hostel wordt toegestaan. Daarnaast heeft het college het door eisers ingediende bezwaar tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek bij de beslissing op bezwaar gehandhaafd en de motivering daarvan aangevuld. Die aanvulling ziet op het concreet zicht op legalisatie en het niet handhaven op het ontvangen van reguliere gasten door de derde-partij vanwege het ontbreken van een overtreding. Daartegen hebben eisers dit beroep ingesteld.
10. Na het bestreden besluit heeft het college bij besluit van 22 juli 2024 besloten om de op 18 maart 2021 ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning voor het hotel te verlenen. Het daartegen door eisers ingestelde beroep in zaaknummer ROE 24/4100 is door deze rechtbank niet-ontvankelijk verklaard.
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
11. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
12 . Het besluit van 27 juli 2023 is genomen naar aanleiding van een handhavingsverzoek dat vóór 1 januari 2024 is ingediend. Dit betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) met aanverwante wetgeving, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Relativiteitsvereiste
13. Het college betoogt dat niet kan worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de door eisers aangevoerde beroepsgronden, omdat het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hieraan in de weg staat. Daartoe stelt het college dat eisers hebben verzocht om handhaving van de regels van de beheersverordening ‘ [naam beheersverordening] ’. Deze regels beogen de goede ruimtelijke ordening te borgen. Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) blijkt dat een concurrent die stelt dat het planologisch regime wordt geschonden, alleen door de ingeroepen planologische norm wordt beschermd indien aannemelijk wordt gemaakt dat de bestreden activiteiten zullen leiden tot relevante structurele leegstand in het bij de concurrent in gebruik zijnde pand. Dat is volgens het college hier niet het geval.
14. Op zitting hebben eisers aangevoerd dat de door het college aangedragen rechtspraak hier niet van toepassing is en daar ook niet aan wordt voldaan. Het belang waarvoor zij in deze procedure bescherming zoeken door het inroepen van de norm van een goede ruimtelijke ordening ziet op het voorkomen van verdere vergroting van het aanbod aan hotels in Sittard. Volgens eisers is namelijk geen ruimte voor extra hotels in Sittard zoals dat ook blijkt uit het door hen ingediende rapport ‘Hotelmarkt onderzoek Sittard’ van 3 april 2025.
15. De rechtbank overweegt dat in artikel 8:69a van de Awb is bepaald dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
16. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de eiser door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de eiser (het zogenoemde relativiteitsvereiste).
17. De rechtbank overweegt dat de verplichting te handelen overeenkomstig de geldende beheersverordening en bij afwijking daarvan te beschikken over een omgevingsvergunning, dient ter bescherming van het belang van de goede ruimtelijke ordening. Voor de invulling van de materiële norm van een goede ruimtelijke ordening, wat betreft het aspect van een goed ondernemersklimaat waar het belang van eisers volgens hen is gelegen, verwijst de rechtbank naar rechtspraak van de Afdeling. Daaruit volgt dat de in artikel 2. 12 , eerste lid, van de Wabo opgenomen norm van een goede ruimtelijke ordening wat betreft het aspect van een goed ondernemersklimaat pas tot bescherming van de belangen van eisers - een concurrent - strekt indien aannemelijk wordt gemaakt dat sprake zal kunnen zijn van relevante leegstand. Relevante leegstand als hier bedoeld wordt niet reeds aangenomen als de voorziene ontwikkeling leidt of kan leiden tot een verminderde vraag naar producten of diensten en daardoor tot daling van omzet en inkomsten van de eigen onderneming of de desbetreffende vestiging. Het enkele feit dat de voorziene ontwikkeling kan leiden tot beëindiging van de eigen bedrijfsactiviteiten ter plaatse en daardoor tot leegstand van het in gebruik zijnde bedrijfsgebouw is op zichzelf eveneens onvoldoende om te concluderen dat zich relevante leegstand zal voordoen. Dan is namelijk nog relevant of het pand anders gebruikt kan worden dan voor de bestaande bedrijfsactiviteiten.
18. De rechtbank is van oordeel dat de norm van een goede ruimtelijke ordening, gelet op het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste, niet strekt tot bescherming van de belangen van eisers. In het door eisers overgelegde rapport ‘Hotelmarkt onderzoek Sittard’ wordt geconcludeerd dat geen ruimte bestaat voor verdere uitbreiding van het hotelaanbod in Sittard vanwege meerdere factoren. Hoewel op voorhand niet is uitgesloten dat de exploitatie van het hotel en het hostel kan leiden tot een daling van de omzet en de inkomsten van eisers door een verminderende vraag naar hotelovernachtingen, is dit op zichzelf onvoldoende voor het oordeel dat de exploitatie van het hotel en het hostel tot een uit oogpunt van goede ruimtelijke ordening relevante leegstand zal kunnen leiden. De rechtbank overweegt dat uit het ingediende rapport niet blijkt dat de exploitatie van het hotel en het hostel door de derde-partij ook daadwerkelijk tot leegstand zal leiden. Daarin komt enkel naar voren dat door de toevoeging van een hotel de vraag naar zowel zakelijke als recreatieve overnachtingen negatief wordt beïnvloed met weinig perspectief voor de toekomst. Verder geldt het volgende. Ook al zou de exploitatie van het hotel en het hostel kunnen leiden tot de beëindiging van de eigen bedrijfsactiviteiten ter plaatse en daardoor tot leegstand van de in gebruik zijnde panden van eisers, is op zichzelf ook onvoldoende om te concluderen dat zich relevante leegstand zal voordoen. De panden van eisers kunnen namelijk, gelet op de ligging in de bestemmingen maatschappelijk, respectievelijk centrum, anders gebruikt worden dan enkel voor de bestaande bedrijfsactiviteiten ten behoeve van een hotel.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.