1 De procedure
Bij vonnis van deze rechtbank van 20 juli 2018 is aan de betrokkene de maatregel van
terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd, wegens
doodslag.
De termijn van de terbeschikkingstelling nam een aanvang op 4 augustus 2018.
De termijn is voor de laatste keer verlengd bij beslissing van deze rechtbank van 23 juli 2024, met twee jaar.
De onderhavige vordering is op 9 juni 2026 bij de rechtbank ingediend.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de processtukken, waaronder:
- een advies als bedoeld in artikel 6:6:12, lid 1 aanhef en onder a van het Wetboek van Strafvordering, gedateerd 2 juni 2026, afkomstig van de Van der Hoevenkliniek, getekend door [deskundige kliniek 1], klinisch psycholoog, psychotherapeut, plv hoofd van de inrichting, [deskundige kliniek 2], GZ-psycholoog, [deskundige kliniek 3], psychiater en [deskundige kliniek 4], hoofd behandeling;
een afschrift van de aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van betrokkene als bedoeld in artikel 6:6:12, lid 1, aanhef en onder b Sv;
adviezen van twee onafhankelijke gedragsdeskundigen zoals bedoeld in artikel 6:6:12, lid 3 Sv, te weten een advies van 30 april 2026, opgemaakt door [psychiater], psychiater, en een advies van 11 mei 2026, opgemaakt door [psycholoog], psycholoog.
Op 6 augustus 2026 is de vordering op een openbare terechtzitting behandeld. Betrokkene is gehoord, alsmede de deskundige van de kliniek, te weten [deskundige kliniek 4], gz-psycholoog, hoofd behandeling. Verder waren aanwezig de officier van justitie en de raadsvrouw van betrokkene mr. E.P.N. Pieterse, advocaat te Rotterdam.
Van het verhandelde tijdens deze zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.