Inleiding, procesverloop en beoordeling
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers hangende hun bezwaar tegen de omgevingsvergunning voor het bouwen van twee appartementengebouwen en opnieuw inrichten van tussenliggend terrein aan de Arcadialaan en Rhijnvis Feithlaan in Alkmaar.
2. Het college heeft de omgevingsvergunning met het besluit van 29 juni 2026 verleend aan vergunninghouder. Verzoekers hebben hiertegen op 12 juli 2026, aangevuld op 20 juli 2026, bezwaar gemaakt en bij verzoekschrift van 20 juli 2026 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
3. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
5. De voorzieningenrechter heeft op 21 juli 2026 het college verzocht om zo spoedig mogelijk te reageren op de onderstaande vragen:
Maakt vergunninghouder nu gebruik van de verleende vergunning?
Bestaat de bereidheid bij vergunninghouder om de werkzaamheden te staken totdat op bezwaar is beslist, dan wel het verzoek om voorlopige voorziening?
Wat is de planning van de werkzaamheden?
6. Vergunninghouder heeft bij e-mailbericht van 4 augustus 2026 de door de voorzieningenrechter gestelde vragen als volgt beantwoord:
Vooralsnog wordt geen gebruik gemaakt van de verleende vergunning. De daadwerkelijke bouwwerkzaamheden voor de twee appartementengebouwen zijn op dit moment nog niet aanvangen. Er is nog geen sprake van heiwerkzaamheden, het aanbrengen van de fundering of de bouw van de bovenbouw.
Er is geen sprake van een staking van de werkzaamheden, omdat er geen werkzaamheden zijn aangevangen (behoudens de werkzaamheden aan de in-/uitritten). Verwacht wordt dat de werkzaamheden aan de appartementen pas – na een aanbesteding van een aannemer en een aanloopperiode voor de werkvoorbereidingen – op zijn vroegst zullen aanvangen per begin 2027.
De actuele, voorlopige, indicatieve planning luidt, vooralsnog, op hoofdlijnen als volgt:
Aanbesteding en werkvoorbereiding aannemer: heden – begin 2027;
Inrichting bouwplaats en voorbereidende werkzaamheden: januari-maart 2027;
Grondwerk en eventueel aanbrengen van kabels en leidingen: nnb;
Start hei- of funderingswerkzaamheden: nnb;
Aanbrengen fundering: nnb;
Start bovenbouw: nnb;
Verwachte oplevering: 2028-2029 (schatting).
De eerste werkzaamheden die naar hun aard niet zonder meer ongedaan kunnen worden gemaakt, zijn de hei- of funderingswerkzaamheden en deze staan gepland na januari-maart 2027, aldus vergunninghouder.
7. Gelet op de omstandigheid dat de werkzaamheden op basis van de bestreden vergunning op zijn vroegst zullen aanvangen per begin 2027 en de verwachting van de voorzieningenrechter dat, gelet op de geldende wettelijke beslistermijn, dan al een besluit op het bezwaar zal zijn genomen, hebben verzoekers geen spoedeisend belang bij het treffen van enige voorziening in afwachting van die beslissing, zodat er geen grond is voor de voorzieningenrechter om in afwachting van dat besluit een voorziening te treffen.