Voorgeschiedenis en procesverloop
2. Deze drie zaken kennen een lange voorgeschiedenis en daarom zal deze hier – voor zover van belang voor deze zaken – worden geschetst. De rechtbank stelt in dit kader de volgende niet in geschil zijnde feiten en het procesverloop vast die zij tot uitgangspunt heeft genomen.
Betonnen platen bij opgang perceel (besluit 8 maart 2011)
3. Op het toegangspad/de dam naar het perceel heeft eiser vanaf de weg over een lengte van ongeveer 18 meter betonnen platen neergelegd. De door eiser aangevraagde aanlegvergunning hiervoor is destijds afgewezen. Deze rechtbank heeft bij uitspraak van 11 november 2007 de afwijzing van deze aanlegvergunning vernietigd en daarop heeft het college met het besluit van 8 maart 2011 alsnog besloten de betonnen platen bij de opgang van het perceel toe te staan. Hiertegen heeft derde-partij 1 beroep ingediend. Dit beroep spitste zich toe op het antwoord op de vraag of zich puin in de bodem bevindt. Dit beroep is door deze rechtbank bij uitspraak van 7 maart 2013 ongegrond verklaard. Hiermee is onherroepelijk vast komen te staan dat de betonnen platen bij de opgang van het perceel aanwezig mogen zijn.
Van rechtswege verleende omgevingsvergunning
4.1.
Op 3 december 2020 heeft eiser een omgevingsvergunning aangevraagd voor het plaatsen en tijdelijk bewonen van een kleine de-mobiele seniorenwoning op het perceel aan de [adres 1] in [plaats] voor een periode van maximaal tien jaar (desnoods maximaal vijf jaar).
4.2.
Op 11 mei 2021 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning.
4.3.
Met de uitspraak van 9 december 2021 heeft deze rechtbank overwogen dat eiser op 3 december 2020, bij het college ingekomen op 7 december 2020, een aanvraag om een omgevingsvergunning heeft ingediend voor een tijdelijke seniorenwoning op het perceel. Volgens de rechtbank maakt onder meer de omstandigheid dat eiser in zijn aanvraag de mogelijkheid heeft opengelaten voor een tijdelijke vergunning voor vijf in plaats van tien jaar niet dat de brief van 3 december 2020 geen aanvraag is. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het college op die aanvraag niet tijdig heeft beslist, zodat de gevraagde vergunning van rechtswege is verleend. De rechtbank heeft in deze uitspraak het college opgedragen de aan eiser van rechtswege verleende omgevingsvergunning bekend te maken.
4.4.
Het college heeft op 20 december 2021 bekendgemaakt dat op 3 december 2020, ontvangen op 7 december 2020, een aanvraag is ingekomen voor het realiseren van een mobiele seniorenwoning voor de periode van vijf jaar op het perceel en dat de vergunning daarvoor op 1 februari 2021 van rechtswege is verleend.
Herroeping van rechtswege verleende omgevingsvergunning en aanvraag alsnog afgewezen
5.1.
Derde-partij 1 heeft bezwaar gemaakt tegen de van rechtswege verleende omgevingsvergunning. Eiser heeft ook bezwaar gemaakt, omdat het college volgens eiser ten onrechte een omgevingsvergunning bekend heeft gemaakt voor een “mobiele” seniorenwoning voor de duur van vijf jaar, terwijl eiser een omgevingsvergunning heeft aangevraagd voor een “de-mobiele” seniorenwoning voor de duur van tien jaar.
5.2.
Met het besluit van 26 juli 2022 heeft het college de van rechtswege verleende omgevingsvergunning herroepen en de gevraagde omgevingsvergunning alsnog geweigerd. Het college heeft aan de weigering ten grondslag gelegd dat het bouwplan in strijd is met de voor het perceel geldende bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurlijke waarden”. Gronden met deze bestemming zijn bedoeld voor het uitoefenen van een volwaardig agrarisch bedrijf, alsmede voor het behoud, herstel en versterking van de aan de betreffende gronden eigen zijnde landschappelijke, bodemkundige en natuurlijke waarden. Het perceel heeft ook geen bouwvlak. Het college is niet bereid voor het bouwen van een woning, al dan niet tijdelijk, in afwijking van het bestemmingsplan “Landelijk gebied 1998” een omgevingsvergunning te verlenen. Het bouwplan is niet gelegen in of aan een kern of een dorpslint en doet volgens het college afbreuk aan de landschappelijke karakteristiek en openheid van het (buiten)gebied.
5.3.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Met de uitspraak van 30 oktober 2023 heeft deze rechtbank geoordeeld dat derde-partij 1 als belanghebbende moet worden aangemerkt omdat derde-partij 1 eigenaar is van het naastgelegen perceel. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat vaststaat dat de van rechtswege verleende omgevingsvergunning betrekking heeft op een “de-mobiele” woning en dat het college op 20 december 2021 tijdig een reëel besluit heeft genomen voor een de-mobiele seniorenwoning voor de duur van vijf jaar dat in de plaats treedt van de van rechtswege verleende omgevingsvergunning. Tot slot mocht het college de van rechtswege verleende omgevingsvergunning in heroverweging herroepen en de gevraagde omgevingsvergunning redelijkerwijs alsnog weigeren. De rechtbank acht de motivering van het college dat hij het niet wenselijk acht om een woning toe te staan op agrarische grond niet onredelijk.
5.4.
Eiser heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling. De behandeling van het hoger beroep stond op 19 juni 2025 op zitting. Tijdens deze zitting heeft eiser de behandeld rechter/staatsraad gewraakt. Met de beslissing van 18 juli 2025 heeft de wrakingskamer van de Afdeling dit wrakingsverzoek afgewezen. Op 25 november 2025 heeft de Afdeling de mondelinge behandeling van de zitting van 19 juni 2025 voortgezet. Met de uitspraak van 7 januari 2026 heeft de Afdeling het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van deze rechtbank van 30 oktober 2023, met verbetering van de gronden, bevestigd.
Standplaats in de zin van de Wet BAG
en toekenning huisnummer
6.1.
Gelijktijdig met het verlenen van de van rechtswege verleende omgevingsvergunning heeft het college met het besluit van 20 december 2021 een standplaats in de zin van de Wet BAG vastgesteld en tevens een huisnummer toegekend, [adres 2] in [plaats] . Met het besluit van 23 december 2021 heeft het college op verzoek van eiser het huisnummer [huisnummer 1] gewijzigd naar huisnummer [huisnummer 2] .
6.2.
Naar aanleiding van de uitspraak van deze rechtbank van 30 oktober 2023 heeft het college met het besluit van 4 december 2023 de standplaats [adres 3] in [plaats] ingetrokken als standplaats in de zin van de Wet BAG. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Met de mondelinge uitspraak van 21 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen, omdat het belang van eiser bij het niet intrekken van de standplaats niet zo spoedeisend is dat niet kan worden gewacht totdat het college heeft beslist op het bezwaar van eiser.
6.3.
Met het besluit van 27 augustus 2024 heeft het college het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat de inschrijving van de standplaats in de BAG-registratie geen nieuwe rechten of plichten in het leven brengt. Het is een administratieve handeling en daarom geen besluit waartegen de bezwaarprocedure open staat. Daarnaast heeft het college besloten, in ieder geval totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in het geschil over de van rechtswege verleende omgevingsvergunning, de feitelijke situatie op te nemen in de BAG. De standplaats met bijbehorend adres [adres 3] in [plaats] is in de BAG geregistreerd op basis van een document waarin de constatering van de aanwezigheid van het object is vastgelegd. De standplaats heeft bij de opneming in de BAG-registratie de aanduiding “geconstateerd” gekregen. Opname van deze standplaats in het BAG wil echter niet zeggen dat de feitelijk waargenomen situatie daarmee ook legaal is.
HAA 25/3508 (beroep)
7.1.
Derde-partij 1 heeft op 10 april 2024 en derde-partij 2 heeft op 25 juni 2024 het college verzocht handhavend op te treden vanwege overlast van illegale activiteiten op het perceel van eiser. De toezichthouder heeft op 6 juni 2024, 27 juni 2024 en 27 september 2024 controles uitgevoerd en daarbij 21 overtredingen geconstateerd. Bij brief van 5 juli 2024 heeft het college aan eiser het voornemen bekend gemaakt om handhavend op te treden door middel van een last onder dwangsom. Eiser heeft op 25 juli 2024 een zienswijze ingediend.
7.2.
Met het primaire besluit van 8 oktober 2024 (hierna: het primaire besluit 1) heeft het college een last onder dwangsom opgelegd en eiser gelast om binnen zes weken diverse zonder omgevingsvergunning geplaatste bouwwerken, aangebrachte verhardingen, aangebrachte opgaande beplantingen en opslag van materialen en objecten te verwijderen en verwijderd te houden. Daarbij kan maximaal € 104.700,00 aan dwangsommen verbeurd worden. Hiertegen heeft eiser op 25 oktober 2024, aangevuld op 14 november 2024, bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
7.3.
Met de uitspraak van 19 november 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Per e-mailbericht van 4 november 2024 heeft het college de voorzieningenrechter in kennis gesteld dat is besloten om de begunstigingstermijn verbonden aan de hiervoor genoemde last op te schorten tot na de behandeling van het bezwaar. Gelet daarop ziet de voorzieningenrechter geen grond om te oordelen dat eiser de uitkomst van het bezwaar niet kan afwachten.
7.4.
Met het bestreden besluit 1 is het bezwaar deels gegrond verklaard, namelijk voor zover het overtreding 12 betreft, en voor het overige heeft het college het primaire besluit 1 gehandhaafd. Daarbij kan maximaal € 102.700,00 aan dwangsommen verbeurd worden. Ten aanzien van de begunstigingstermijn is een verlenging verleend van 12 weken na verzending van het bestreden besluit 1, tot uiterlijk 17 september 2025.
7.5.
Eiser heeft op 6 augustus 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 1 en omdat de begunstigingstermijn afliep heeft eiser de voorzieningenrechter op 15 september 2025, aangevuld op 26 oktober 2025 en 5 november 2025, verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het college heeft naar aanleiding daarvan de begunstigingstermijn verlengd tot de datum van de zitting waarop het verzoek om voorlopige voorziening zou worden behandeld.
7.6.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 november 2025 op zitting behandeld. De voorzieningenrechter heeft aan het einde van de zitting bij wege van een ordemaatregel een voorlopige maatregel getroffen en aangekondigd uiterlijk twee weken nadien, op 20 november 2025, uitspraak te doen op het verzoek en mogelijk ook op het connexe beroep en de begunstigingstermijn verlengd tot 1 (één) dag na de uitspraak in de voorlopige voorzieningenprocedure.
7.7.
Eiser heeft op 11 november 2025 de wraking verzocht van de voorzieningenrechter en op 18 en 19 november 2025 de wraking verzocht van de rechters van de wrakingskamer. Met de beslissing van 21 november 2025 heeft de wrakingskamer het verzoek tot wraking van de rechters van de wrakingskamer afgewezen en bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van eiser niet in behandeling wordt genomen. Eiser heeft op 24 november 2025 nogmaals de wraking verzocht van de voorzieningenrechter en op 8 december 2025 nogmaals de wraking verzocht van de rechters van de wrakingskamer. Gelet op de wrakingsbeslissing van 21 november 2025 is het wrakingsverzoek van 8 december 2025 niet in behandeling genomen. Met de beslissing van 19 december 2025 heeft de wrakingskamer het verzoek tot wraking van de voorzieningenrechter niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit verzoek naar het oordeel van de wrakingskamer te laat is ingediend. Daarnaast beveelt de wrakingskamer dat de voorlopige voorzieningenprocedure wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.
7.8.
Na de zitting van 6 november 2025 en het wrakingsverzoek van 11 november 2025 heeft de voorzieningenrechter nog nieuwe stukken en correspondentie ontvangen van partijen. De voorzieningenrechter heeft partijen op 21 november 2025 bericht dat zolang het wrakingsverzoek in behandeling is de voorzieningenrechter hier niet op reageert.
7.9.
Op 22 december 2026 heeft eiser het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken. Dat betekent dat de voorlopige voorzieningenprocedure is beëindigd.
7.10.
Met de brief van 6 januari 2026 heeft de rechtbank partijen het proces-verbaal van de mondeling uitgesproken ordemaatregel toegestuurd en partijen bericht dat de voorzieningenrechter vanwege het intrekken van het verzoek om voorlopige voorziening geen uitspraak zal doen in de voorlopige voorzieningenprocedure en niet meer zal reageren op de na de zitting van 6 november 2025 en het wrakingsverzoek van 11 november 2025 ontvangen stukken en correspondentie van partijen. Ook zullen de stukken niet worden toegevoegd aan de dossiers van het verzoek en het connexe beroep.
7.11.
Het college heeft op 2 april 2026, in aanvulling op het verweerschrift van 4 september 2025, op het beroep gereageerd met een aanvullend verweerschrift.
7.12.
Op 10, 11 en 12 april 2026 heeft de rechtbank per mail aanvullende stukken en correspondentie van eiser ontvangen, waaronder een verslag van waarnemingen en een lijst van verwijderingen.
7.13.
Op verzoek van de rechtbank heeft het college op 15 april 2026 schriftelijk gereageerd op het door eiser overgelegde verslag van waarnemingen en de lijst van verwijderingen.
HAA 25/5244 (beroep) en HAA 26/2520 (voorlopige voorziening)
8.1.
Op 10 april 2025 hebben toezichthouders een controle uitgevoerd op het perceel van eiser. Tijdens deze controle is geconstateerd dat er werkzaamheden worden uitgevoerd ten behoeve van de aanleg van elektriciteits- en watervoorzieningen. Op het perceel van eiser is een put aangebracht waarheen in de grond een water- en een elektriciteitsleiding is aangelegd.
8.2.
Met het besluit van 11 april 2025 (hierna: het primaire besluit 2) heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd voor het met onmiddellijke ingang staken en gestaakt houden van alle werkzaamheden die betrekking hebben op de aanleg van elektriciteits- en watervoorzieningen met inbegrip van het leggen van kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur. Ook heeft het college de aanlegwerkzaamheden stilgelegd om te voorkomen dat de strijdige situatie in ernst en omvang toeneemt en om gevaar en/of hinder te voorkomen dan wel te beperken. Indien eiser de aanlegwerkzaamheden voortzet of laat voortzetten verbeurt hij een dwangsom van € 10.000,00 ineens. Hiertegen heeft eiser op 13 april 2025 bezwaar gemaakt en tevens de voorzieningenrechter gevraagd om bij voorlopige voorziening de last onder dwangsom te schorsen.
8.3.
Op 29 april 2025 hebben toezichthouders nogmaals een controle uitgevoerd en geconstateerd dat eiser, ondanks de opgelegde last, de aanlegwerkzaamheden heeft voortgezet. De waterleiding en elektrakabel zijn verder aangelegd en aangesloten op een kraan en een (bouw)meterkast. De daarvoor gegraven geulen zijn dichtgemaakt.
8.4.
Op 26 juni 2025 heeft het college eiser geïnformeerd over het voornemen tot invordering van de op 29 april 2025 van rechtswege verbeurde dwangsom van € 10.000,00. Eiser is in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze in te dienen, maar heeft hier geen gebruik van gemaakt.
8.5.
Met de mondelinge uitspraak van 30 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Eiser heeft geen spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Omdat het college zich op het standpunt stelt dat eiser de last onder dwangsom heeft overtreden, is de last onder dwangsom inmiddels uitgewerkt in die zin dat eiser nu geen dwangsom meer kan verbeuren. Het doel dat eiser met schorsen van de last wil bereiken, kan daarom niet meer worden bereikt, althans hij heeft daar geen belang meer bij. Voorts heeft het college nog geen invorderingsbesluit genomen, zodat daarin ook nog geen belang bij schorsing is gelegen.
8.6.
Met het bestreden besluit 2 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit 2 onder verbetering van de motivering in stand gelaten en aangevuld. Hiertegen heeft eiser op 19 november 2025 beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Nadat de rechtbank eiser heeft gewezen op de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juli 2025 heeft eiser op 4 december 2025 dit verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken.
8.7.
Op 3 april 2026 heeft het college het besluit genomen dat strekt tot invordering van de van rechtswege verbeurde dwangsom van € 10.000,00 (hierna: het invorderingsbesluit). Er zijn volgens het college geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan in dit geval afgezien zou moeten worden van het invorderen van de dwangsom. Eiser is verzocht om de dwangsom uiterlijk op 18 mei 2026 over te maken. Hiertegen heeft eiser op 5 mei 2026 bezwaar gemaakt en tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
HAA 25/3508 (beroep), HAA 25/5244 (beroep) en HAA 26/2520 (voorlopige voorziening)
9.1.
Op 21 april 2026 heeft de rechtbank het beroep met zaaknummer HAA 25/3508 op zitting behandeld. De rechtbank heeft de behandeling van dit beroep tijdens de zitting aangehouden om partijen de gelegenheid te geven om tot een schikking te komen. Hierbij heeft de rechtbank het beroep met zaaknummer HAA 25/5244 en het verzoek om voorlopige voorziening met zaaknummer HAA 26/2520 betrokken. In dat kader heeft het college ter zitting toegezegd dat de invordering van de van rechtswege verbeurde dwangsom wordt opgeschort tot vier weken nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan in het beroep met zaaknummer HAA 25/3508 dan wel totdat partijen een schikking hebben bereikt. Dit heeft het college op 13 mei 2026 schriftelijk bevestigd aan eiser.
9.2.
Na de zitting heeft de rechtbank op 11 en 18 mei 2026 aanvullende stukken en correspondentie ontvangen van eiser, op 12 mei 2026 van derde-partij 1 en op 15 mei 2026 van het college.
9.3.
Op 19 mei 2025 is de behandeling van het beroep met zaaknummer HAA 25/3508 op zitting voortgezet. Tijdens deze zitting is gebleken dat partijen niet tot een schikking konden komen. Daarop heeft de rechtbank de behandeling van het beroep met zaaknummer HAA 25/3508 ter zitting aangehouden ten einde dit beroep samen met het beroep met zaaknummer HAA 25/5244 en het verzoek om voorlopige voorziening met zaaknummer HAA 26/2520 op een nadere zitting inhoudelijk te kunnen behandelen.
9.4.
Na de zitting heeft de rechtbank op 21, 22 en 31 mei 2026 en 2, 3, 4 en 8 juni 2026 aanvullende correspondentie ontvangen van eiser.
9.5.
Het college heeft op 4 juni 2026, in aanvulling op de verweerschriften van 4 september 2025 en 2 april 2026, op de beroepen en het verzoek om voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
9.6.
Op 6 juni 2026 heeft eiser de rechtbank bericht dat hij de lopende machtigingen van [naam 1] en [naam 2] met ingang van vrijdag 5 juni 2026 om 18.00 uur heeft ingetrokken.
9.7.
Op 17 juni 2026 heeft eiser verzocht om uitstel van de behandeling van de zaken op de zitting van 18 juni 2026. Dit verzoek is door de rechtbank afgewezen.
9.8.
Op 18 juni 2026 heeft eiser de machtigingen van [naam 2] en [naam 3] (makelaar) overgelegd.
9.9.
Op 18 juni 2026 heeft de rechtbank de beroepen en het verzoek om voorlopige voorziening inhoudelijk behandeld op zitting. Hieraan hebben deelgenomen eiser, [naam 2] (raadgever), de gemachtigde van het college, mr. B. Nooitgedagt, derde-partij 1 en de gemachtigde van derde-partij 1. Derde-partij 2 is met bericht vooraf niet ter zitting verschenen.
9.10.
Tijdens de zitting van 18 juni 2026 heeft eiser de wraking verzocht van de rechter. Met de beslissing van 24 juni 2026 heeft de wrakingskamer het verzoek tot wraking van de rechter afgewezen, bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van eiser in de hoofdzaken niet in behandeling wordt genomen en beveelt dat het proces in de hoofdzaken wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.
9.11.
Op 2 juli 2026 heeft de rechtbank de inhoudelijke behandeling van de beroepen en het verzoek om voorlopige voorziening op zitting voortgezet. Hieraan hebben deelgenomen namens het college mr. B. Nooitgedagt, derde-partij 1 en de gemachtigde van derde-partij 1. Eiser, [naam 2] (raadgever), de gemachtigde van het college en derde-partij 2 zijn met bericht vooraf niet ter zitting verschenen.