Totstandkoming van het besluit en procesverloop
2.1.
Blijkens een bestuurlijke rapportage van de politie van 9 juni 2026 heeft de politie op 22 januari 2026 de woning betreden en daar een handelshoeveelheid drugs
aangetroffen. Toen werd geconstateerd dat er GBL in de woning aanwezig was, een gasmasker en meerdere jerrycans. Ook werden meerdere waterflesjes aangetroffen waar een stroperige substantie in zat waarvan werd vermoed dat het GHB was. Naar verweerder ter zitting heeft gesteld, heeft de politie het binnentreden op 22 januari 2026 niet gemeld aan verweerder.
2.2.
De bestuurlijke rapportage vermeldt verder dat verzoeker op 9 juni 2026 om 3.08 uur in [andere plaats] op heterdaad is aangehouden. Later op de dag is de woning, met toestemming van verzoeker, doorzocht. Hierbij heeft politie het volgende aangetroffen: 8 stuks pillen, 1,1 gram witte poeder in gripzakje, 3,4 gram witte poeder in gripzakje, 5,1 gram kristallen (lichtbruin van kleur), 22,8 gram witte poeder in gripzakje met opdruk ‘M’, 42 gram witte poeder in gripzakje, 9646 gram bruine poeder in twee plastic zakjes, 915 gram wit poeder in plastic bak, 2 flesjes met dikke vloeibare substantie als inhoud (doorzichtig van kleur, mogelijk GHB) en 9,8 gram hasj in een gripzakje. Daarnaast heeft de politie aangetroffen een grote hoeveelheid ongebruikt verpakkingsmateriaal, waaronder ponypacks en gripzakjes, een mixer met daarin wit poeder, weegschaaltjes, lepels met poederresten en snuifbuisjes. Op het fornuis van de woning stonden twee pannen met daarin een doorzichtige vloeistof. Bij deze pannen bevonden zich een temperatuurmeter, strips ten behoeve van ph-metingen en flessen met gootsteenontstopper en gedemineraliseerd water (vermoedelijk voor het bereiden van GHB).
2.3.
Verweerder heeft op 13 juni 2026 aan verzoeker het voornemen kenbaar gemaakt de woning te sluiten. Bij besluit van 26 juni 2026, verzonden op 30 juni 2026, heeft verweerder een last onder bestuursdwang opgelegd, inhoudende dat de woning vanaf 9 juli 2026 gesloten wordt voor een periode van zes maanden. Op genoemde datum is de sluiting ingegaan.
2.4.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van verweerder.