Procedurele gronden
Niet ter inzage leggen van de habitattypenkaarten met het ontwerpbesluit
8. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte geen onderliggende kaarten beschikbaar heeft gesteld en ter inzage heeft gelegd, waarop de habitats en de leefgebieden van de soorten precies zijn ingetekend. Eiseres voert aan dat het daardoor onmogelijk is om de exacte gevolgen van dit wijzigingsbesluit te bepalen.
8.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat het ontwerpbesluit volgens de regels ter inzage is gelegd. De minister heeft ervoor gekozen om de habitattypenkaarten en de onderliggende stukken niet bij het ontwerpbesluit ter inzage te leggen, maar om in het ontwerpbesluit te wijzen op de mogelijkheid om deze achtergronddocumenten op te vragen bij het klantcontactcentrum van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Daar hebben meerdere personen gebruik van gemaakt en die hebben de kaarten en onderliggende stukken ook gekregen. Dit heeft de minister vooral gedaan omdat zij niet zelf de bronhouder is van deze kaarten, maar provincies, Rijkswaterstaat en Defensie, en de bronhouders niet allemaal de kaarten publiceren.
8.2.
Op grond van artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage. Dit artikel is een uitwerking van de actieve openbaarmakingsplicht: een bestuursorgaan moet uit eigen beweging informatie verstrekken. Doel van de terinzagelegging is onder andere dat betrokkenen kennis kunnen nemen van het ontwerp van het besluit. Zij kunnen dan de gegevens en de aannames waarop het besluit is gebaseerd controleren, de keuzes in het besluit beoordelen en afwegen of zij daartegen willen opkomen. De aan het besluit ten grondslag liggende gegevens moeten daarom volledig, tijdig en uit eigen beweging op een passende wijze openbaar worden gemaakt.
8.3.
De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de habitattypenkaarten op de zaak betrekking hebbende stukken zijn. De rechtbank stelt vast dat op een habitattypenkaart te zien is waar een bepaald habitattype voorkomt in een Natura 2000-gebied en in welke omvang. Habitattypenkaarten komen tot stand op basis van onderliggend documentatiemateriaal, zoals vegetatiekaarten die zijn vastgesteld door ecologisch deskundigen die hebben onderzocht welke habitattypen op de peildatum in een gebied voorkwamen.
8.4.
Uit het wijzigingsbesluit volgt dat de in de aanwijzingsbesluiten aangebrachte wijzigingen ten aanzien van de habitattypen zijn gebaseerd op de (gevalideerde) habitattypenkaarten. De minister stelt zich op het standpunt dat de habitattypenkaarten niet nodig waren om het ontwerpbesluit te kunnen beoordelen, maar de rechtbank volgt hem daarin niet. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de habitattypenkaarten op de zaak betrekking hebbende stukken, omdat de kaarten gebruikt zijn voor de correcties op de aanwijzingsbesluiten en daarmee de basis vormen van het wijzigingsbesluit. Dat maakt ook dat de habitattypenkaarten redelijkerwijs nodig zijn om het ontwerpbesluit te kunnen beoordelen. Deze kaarten maken het voor een belanghebbende mogelijk om te controleren of en, zo nodig, te betwisten of een habitattype op de peildatum in meer dan verwaarloosbare mate in het Natura 2000-gebied aanwezig was. Dat voor de besluitvorming niet van belang is op welke exacte locaties de habitattypen voorkomen, maakt dit niet anders. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de minister in strijd heeft gehandeld met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb door de habitattypenkaarten niet uit eigen beweging met het ontwerpbesluit ter inzage te leggen.
8.5.
Voor het documentatiemateriaal waarop de habitattypenkaarten zijn gebaseerd, geldt naar het oordeel van de rechtbank dat dit niet rechtstreeks aan het wijzigingsbesluit ten grondslag is gelegd. Dit brengt met zich dat het documentatiemateriaal niet valt aan te merken als stukken die op de zaak betrekking hebben. Dit betekent dat de minister dit documentatiemateriaal niet uit eigen beweging ter inzage heeft hoeven leggen. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de minister dit documentatiemateriaal op verzoek heeft kunnen verstrekken en dat de beroepsgrond in zoverre faalt.
8.6.
Dat de habitattypenkaarten niet ter inzage hebben gelegen is een gebrek in de voorbereiding van het wijzigingsbesluit. De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Naar het oordeel van de rechtbank is het aannemelijk dat eiseres en/of andere belanghebbenden niet zijn benadeeld door het gebrek. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de minister in beroep de habitattypenkaarten alsnog beschikbaar heeft gesteld op een openbare website. Eiseres heeft daarna voldoende tijd gehad om de kaarten te bekijken en daarop te reageren. De rechtbank acht het verder aannemelijk dat andere belanghebbenden niet zijn benadeeld doordat de habitattypenkaarten niet ter inzage hebben gelegen. In het ontwerpbesluit staat dat wijzigingen worden onderbouwd met de habitattypenkaarten, waardoor een ieder op de hoogte kon zijn van het bestaan van deze kaarten en daarover een zienswijze had kunnen indienen.
Inspraak na Europese registratie
9. Eiseres betoogt dat de procedure niet op juiste wijze is doorlopen. Eiseres voert aan dat het indienen van een zienswijze pas mogelijk was nadat de habitattypen en soorten al geregistreerd waren bij de Europese Commissie (EC). Naar de mening van eiseres is dit in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
9.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat de vermelding van alle in een gebied aanwezige habitattypen en soorten in het Standard Data Form (SDF) een verplichting is die volgt uit het Uitvoeringsbesluit. Dat SDF moet volgens de minister actueel worden gehouden. Uiteraard moet de informatie wel juist zijn en goed onderbouwd. Eind 2017, korte tijd voor het publiceren van het ontwerpbesluit, was voldoende duidelijk welke habitattypen en soorten toegevoegd en verwijderd moesten worden en dat is dus ook verwerkt in de SDF’s van de betrokken gebieden. Naar de mening van de minister is er in dit geval geen sprake van het volgen van een onjuiste procedure.
9.2.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt deze beroepsgrond niet. De rechtbank overweegt dat het juist is dat eiseres voor het eerst een zienswijze kon indienen na registratie van de habitattypen en soorten bij de EC. Dat hoort bij het ‘getrapte stelsel’ van de aanwijzing van Habitatrichtlijngebieden, waarbij de gebieden eerst op Europees niveau worden aangemeld en vastgesteld en pas daarna op nationaal niveau worden aangewezen. Verder is het niet verboden om later nog andere habitattypen en soorten toe te voegen dan de typen en soorten die eerst waren aangemeld bij de EC op basis van actuele ecologische gegevens. Die wijzigingen moet de lidstaat dan doorgeven aan de EC via het SDF.
9.3.
In dit geval heeft de minister de wijzigingen - onverplicht - eerst verwerkt in het SDF en korte tijd daarna het ontwerpbesluit ter inzage gelegd. Op die manier heeft eiseres wel inspraak kunnen geven op de wijzigingen. Door die inspraak zijn het ontwerpbesluit en het SDF op sommige punten ook daadwerkelijk aangepast. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiseres geen of onvoldoende inspraak heeft gehad.