ECLI:NL:RBOVE:2026:4652
Rechtbank Overijssel
- Uitspraak
- 30 juli 2026
- Zaaknummer
- ZWO 26/1747
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie
Beroep ongegrond. Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Het college heeft de aanvraag om algemene bijstand van 24 februari 2026 terecht afgewezen. Verzoekers zijn uitgesloten van het recht op bijstand omdat zij niet in Nederland wonen en er zijn geen zeer dringende redenen om toch bijstand te verlenen. Er is geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
Uitspraak
Inleiding: feiten en procesverloop
2.1.
Verzoekers zijn afkomstig uit Kosovo en beschikken over de Nederlandse nationaliteit. Na een verblijf van zo’n dertig jaar in Zuid-Limburg zijn zij geëmigreerd naar Duitsland waar [verzoeker 1] heeft gewerkt in de transportwereld. Na het faillissement van zijn werkgever ontving [verzoeker 1] achtereenvolgens een werkloosheidsuitkering en een bijstandsuitkering. Verzoekers wonen zelfstandig in [plaats] en ontvangen mantelzorg van hun zoons, die in hetzelfde complex woonachtig zijn.
2.2.
In mei/juni 2025 is bij [verzoeker 1] longkanker geconstateerd waarvoor hij wekelijks in een Duits ziekenhuis wordt behandeld. De ziekte bevindt zich inmiddels in een vergevorderd stadium (stadium IV). [verzoeker 2] lijdt aan hartfalen waarvoor zij dagelijks diverse soorten medicatie gebruikt.
2.3.
Verzoekers hebben hun verblijfsrecht als EU-burger in Duitsland verloren omdat zij niet meer aan de voorwaarden voldoen. Bij vonnis van het Socialgericht Oldenburg van 26 november 2025 is bepaald dat de Duitse zorgverzekering en de verstrekte financiële bijstand op 31 januari 2026 eindigen.
2.4.
Op 8 januari 2026 hebben verzoekers het college gevraagd hen een briefadres te verstrekken. Nadat deze aanvraag was afgewezen, is door de voorzieningenrechter bij uitspraak van 19 februari 2026 bepaald dat het college een briefadres moet verstrekken, wat het college ook heeft gedaan.
2.5.
Op 24 februari 2026 hebben verzoekers een aanvraag ingediend om algemene bijstand. Op de aanvraag hebben verzoekers ingevuld dat zij sinds 31 januari 2026 geen inkomen meer hebben en nu van nul euro moeten leven. Er is dringend geld nodig voor levensmiddelen en om de zorgverzekering bij Menzis te betalen. De polis is binnen, maar zolang er geen geld is voor de premie, kan de noodzakelijke behandeling voor de stadium IV longkanker van [verzoeker 1] in het MST Enschede niet opgestart worden. Dit is levensgevaarlijk omdat de zorg nu stilstaat. Ook is het zonder geld onmogelijk om wekelijks naar Enschede te reizen voor de verplichte postcontrole.
2.6.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 26 maart 2026 afgewezen. Daaraan ligt ten grondslag dat verzoekers hun hoofdverblijf niet in Nederland hebben, maar in Duitsland. Het in artikel 11, eerste lid, van de Participatiewet (PW) neergelegde territorialiteitsbeginsel sluit iedereen die woonachtig is buiten Nederland uit van het recht op bijstand. Er is ook geen sprake van zeer dringende redenen om alsnog bijstand toe te kennen. Het niet verlenen van bijstand heeft niet tot gevolg dat verzoekers geen beroep meer kunnen doen op medische zorg. Verzoekers hebben aangegeven dat zij nog steeds medische zorg vanuit het ziekenhuis in Duitsland ontvangen. Daarnaast is inmiddels ook een zorgverzekering afgesloten bij Menzis en kunnen verzoekers daarom ook een beroep doen op zorg in Nederland. Ook ontvangen verzoekers maandelijks een bedrag ter hoogte van
€ 599,- vanuit de Allgemeine Ortskrankenkasse (AOK) in Duitsland ten behoeve van medische kosten. Verder verblijven verzoekers in een woning in Duitsland met meerdere bewoners, veelal familieleden, die gezamenlijk de woonlasten betalen.
2.7.
Verzoekers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om de voorlopige voorziening te treffen dat zij een voorschot krijgen op de bijstand voor de duur van de bezwaarprocedure omdat zij al maanden geen inkomen hebben en ernstig ziek zijn. Sinds begin juni 2026 is de toegang tot de Duitse zorg verder onder druk komen te staan doordat behandelingen per geval bij de AOK moeten worden goedgekeurd. De continuïteit van de levensreddende zorg is hiermee onzeker geworden. Het uitblijven van inkomen brengt de toegang tot medische zorg rechtstreeks in gevaar. Ook zijn er oplopende schulden, zowel bij de AOK als anderszins. De gemeente weigert bijstand omdat er geen woning in Nederland is, maar zonder inkomen krijgen verzoekers geen woning. De corporatie (Domijn) bevestigt dat zij maatwerk toepast, maar daarvoor een toezegging van de gemeente over de uitkering nodig heeft, en juist die toezegging weigert de gemeente. Er is sprake van een acute noodsituatie. De zorg in Duitsland loopt niet door en zorg via Menzis is praktisch onbruikbaar vanwege de afstand tot de woning. Het Pflegegeld is bedoeld voor medische kosten, niet voor levensmiddelen. De woonlasten worden door de familie betaald maar die is daardoor zelf in de schulden geraakt.
2.8.
Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 op het bezwaar van verzoekers is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.
2.9.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigden van het college.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.