Inleiding: feiten en procesverloop
2.1
Maatschap [verzoekster] exploiteert aan de [adres] een melkrundvee- en melkgeitenhouderij.
2.2
Bij brief van 30 september 2021 heeft [derde belanghebbende] een verzoek om handhaving gedaan omdat maatschap [verzoekster] zich niet houdt aan de omgevingsvergunning, dan wel te controleren of zij zich houdt aan de vergunning. [derde belanghebbende] heeft hierbij aangegeven dat de koeien en geiten niet worden beweid, er sprake is van een overschrijding van dieraantallen, de aanwezigheid van (te veel) jongvee, het overschrijden van het geluidsniveau, de afwezigheid van ventilatoren in een van de stallen en het gebruik van de aanbouw als machineberging. Later heeft [derde belanghebbende] het verzoek nog aangevuld met het verzoek handhavend op te treden tegen een illegaal aangelegd mestbassin.
2.3
Bij besluit van 23 juni 2022, zoals gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 12 mei 2023, heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen omdat het college de procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) ten aanzien van de op 24 juni 2020 verleende omgevingsvergunning aan maatschap [verzoekster] wil afwachten.
Bij uitspraak van 15 juli 2025 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit op bezwaar vernietigd en het college gelast opnieuw op bezwaar tegen het besluit van 23 juni 2022 te beslissen.
Bij uitspraak van de Afdeling van 27 november 2024 is, kort gezegd, de omgevingsvergunning van 24 juni 2020 vernietigd.
2.4
Met het besluit van 16 december 2025 heeft het college naar aanleiding van het handhavingsverzoek van [derde belanghebbende] en de uitspraak van de rechtbank van 15 juli 2025
de maatschap op straffe van een dwangsom gelast het aantal melkkoeien per 19 februari 2026 terug te brengen tot 170, het houden van dieren in niet gemelde of vergunde dierverblijven te beëindigen, de melkkoeien en melkgeiten voldoende te beweiden, de mestbassins af te dekken, de hoogte van het mestbassin buiten het bouwvlak terug te brengen tot 2 meter, jongvee te plaatsen op een aaneengesloten bodemvoorziening waarbij de vrijkomende vloeistoffen worden opgevangen en het tijdelijke foliebassin op te ruimen.
2.5
Met het besluit van 3 juli 2026 heeft het college het bezwaar tegen het handhavingsbesluit van 16 december 2025 gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en besloten een nieuwe last onder dwangsom op te leggen
2.6
Met een ongedateerd, separaat besluit, verzonden op 3 juli 2026, heeft het college vijf lasten onder dwangsom opgelegd.
2.7
[verzoekster] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
2.8
De voorzieningenrechter heeft het verzoek beroep op 13 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1], de gemachtigde van [verzoekster] en [naam 2]. Namens het college zijn verschenen de gemachtigde en [naam 3]. Namens derdepartij is verschenen [naam 4].