1 De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- het verweerschrift
- aanvullende stukken van [verzoekster] van 23 juli 2026
- de mondelinge behandeling van 27 juli 2026,
- de pleitnota van [verzoekster]
- de pleitnota van [verweerder] ,
- de akte van [verweerder] met aanvullende stukken van 3 augustus 2026.
2 De feiten
2.1
[verweerder] exploiteert horecagelegenheden bij golfbanen.
2.2
[verzoekster] , geboren [geboortedatum] 2000, is op 1 april 2024 in dienst getreden bij [verweerder] als medewerker bediening met een arbeidsduur van 24 uur per week op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en loon van laatstelijk € 1.746,86 bruto per maand, vermeerderd met 8% vakantiebijslag. [verzoekster] verrichtte haar werkzaamheden gewoonlijk bij het clubhuis van [locatie] in [plaats 1] . Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor het [verweerder] - en aanverwante bedrijf van toepassing.
2.3
Op donderdag 2 april 2026 was [verzoekster] vrij. Zij had in de avond golfles bij [locatie] . Voor aanvang van de golfles is zij gaan zitten aan een tafel in het clubhuis. Zij heeft na enige tijd voor zichzelf een drankje uit de koelkast gepakt. Daarna voegde een vriendin van [verzoekster] zich bij haar. [verzoekster] heeft toen voor zichzelf en de vriendin een drankje gepakt en later heeft zij nog wat hapjes besteld. Daarna zijn ze zonder de rekening te betalen naar de golfles gegaan. Na de golfles hebben [verzoekster] en de vriendin nog twee drankjes besteld. Uiteindelijk zijn ze zonder de rekening te betalen vertrokken.
2.4
[assistent leidinggevende] , assistent leidinggevende van [verzoekster] , heeft die avond [verzoekster] een Whatsappbericht gestuurd dat zij de rekening in het greenfee systeem heeft gezet. Daarop is door [verzoekster] gereageerd dat dat goed is.
2.5
[verzoekster] heeft de rekening op dinsdag 7 april 2026 uit het kassasysteem verwijderd.
2.6
Op donderdag 9 april 2026 heeft [assistent leidinggevende] aan [verzoekster] een Whatsappbericht gestuurd met de vraag bij wie [verzoekster] de rekening heeft betaald, omdat zij de rekening niet terug kan vinden in het systeem. [verzoekster] heeft daarop gereageerd met het bericht: “Heb ik zelf dinsdag geregeld!”. [assistent leidinggevende] reageert daarop met de vraag of zij dat met pin heeft gedaan en hoe laat. Daarop is niet door [verzoekster] gereageerd. Wel hebben [verzoekster] en [assistent leidinggevende] diezelfde dag daarover bij het clubhuis met elkaar gesproken. [verzoekster] heeft later in de avond de rekening bij een collega betaald.
2.7
Op dinsdag 14 april 2026 heeft [mede-eigenaar] , mede-eigenaar van [verweerder] , [verzoekster] een Whatsappbericht gestuurd met de vraag om een afspraak te maken voor een gesprek. Daarop heeft [verzoekster] gereageerd met de vraag of dat nog voor zondag 19 april kan. [mede-eigenaar] reageert vervolgens dat dat wel kan, maar dat ze dan naar [plaats 2] moet komen. Daarop geeft [verzoekster] aan dat dat haar niet lukt op de voorgestelde momenten en ze niet weet waar het over gaat. [mede-eigenaar] laat weten dat hij het wil hebben over hoe het met [verzoekster] gaat, een functioneringsgesprek, wat er de laatste tijd allemaal heeft gespeeld en hoe nu verder. Uiteindelijk deelt [mede-eigenaar] mee dat hij geregeld heeft dat [verzoekster] zondag later kan beginnen met werken, zodat ze eerst naar [plaats 2] kan komen voor het gesprek.
2.8
Op zondag 19 april 2026 heeft het gesprek tussen [mede-eigenaar] en [verzoekster] plaatsgevonden. Tijdens dat gesprek heeft [mede-eigenaar] [verzoekster] op staande voet ontslagen. Diezelfde dag heeft [verweerder] aan [verzoekster] een ontslagbrief gestuurd. Daarin staat, voor zover hier van belang, het volgende:
“(…)
Hierbij bevestigen wij dat u op 19 april 2026 door ons op staande voet bent ontslagen.
Aan dit ontslag ligt een dringende reden ten grondslag, als bedoeld in artikel 7:677 en 7:678 van het Burgerlijk Wetboek
Op donderdag 7 april 2026 heeft zich het volgende incident voorgedaan. U heeft tegenover ons verklaard dat u een rekening (van drankjes die u met uw vriendin op 2 april 2026 heeft genuttigd)had afgerekend. Uit nader onderzoek is echter gebleken dat u zonder toestemming deze rekening uit de kassa heeft verwijderd en het bijbehorende geldbedrag niet volgens de geldende procedures heeft verantwoord.
U heeft tegen uw collega bevestigd dat u deze rekening had betaald, maar dit bleek dus niet waar te zijn. Dit handelen kwalificeren wij als diefstal dan wel verduistering.
Dit gedrag vormt een ernstige schending van het vertrouwen dat wij als werkgever in u moeten kunnen stellen. Van ons kan in redelijkheid niet worden verlangd de arbeidsovereenkomst voort te zetten.
Zodra dit feit bij ons bekend werd en na intern onderzoek, zijn wij onverwijld overgegaan tot het geven van ontslag op staande voet, welk ontslag op 19 april 2026 aan u is medegedeeld.
(…)”|
2.9
Bij Whatsappbericht van 19 april 2026 heeft [verzoekster] aan [mede-eigenaar] laten weten dat zij het niet eens is met het ontslag op staande voet en zich beschikbaar houdt voor het verrichten van werkzaamheden.
2.10
Partijen hebben daarna via hun gemachtigden verder over de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet gediscussieerd.