ECLI:NL:RBROT:2026:10578
Rechtbank Rotterdam
- Uitspraak
- 25 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/10/723073 / KG ZA 26-718
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Kort geding, Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie
Kort geding. Waardeloosverklaring van een hypotheekrecht ex artikel 3:29 BW. Toewijzing. Verstek verleend tegen gedaagden sub 2. De partij die in beginsel tot afgifte van die verklaring verplicht is, is overleden. Wie een overleden persoon (of een ontbonden rechtspersoon) dagvaardt, wordt normaal gesproken niet-ontvankelijk verklaard. Dat ligt in dit geval anders. In de eerste plaats omdat de vereffenaars niets vorderen van gedaagde sub 1. In de tweede plaats omdat met het dagvaarden van (de overleden) gedaagde sub 1 van rechtswege ook al zijn rechtverkrijgenden die geen nieuwe inschrijving in de registers hebben genomen zijn gedagvaard (gedaagden sub 2) (zie artikel 3:29 lid 1 BW). Daarvoor is wel vereist dat de oproeping voor deze procedure is geschied overeenkomstig de regels betreffende een gedaagde zonder bekende woon- en verblijfplaats. Dat is in dit geval gebeurd. De oproeping heeft openbaar plaatsgevonden (conform artikel 54 Rv), waarbij uitdrukkelijk ook de rechtverkrijgenden van gedaagde sub 1 zijn opgeroepen. Hiermee hebben de vereffenaars zich voldoende ingespannen om ervoor te zorgen dat die rechtverkrijgenden gelegenheid hadden in deze procedure te verschijnen. De rechtverkrijgenden van gedaagde sub 1 zijn aldus rechtsgeldig in dit geding betrokken. Gelet daarop ziet de voorzieningenrechter geen beletsel om deze zaak in kort geding te behandelen (anders dan opgemerkt in Parl. Gesch. Boek 3 (Boek 3), p. 151).
Uitspraak
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.