Procesverloop
2. Met een besluit van 8 maart 2024 (besluit I) is eiser per 14 augustus 2023
uitgeschreven uit de brp van [gemeente] .
2.1.
Eiser heeft op 8 augustus 2024 in persoon een aanvraag voor inschrijving op het adres [adres 1] in [plaats 1] gedaan. Bij besluit van 14 oktober 2024 (besluit II) heeft het college deze inschrijving afgewezen.
2.2.
Met het bestreden besluit van 6 mei 2025 op de bezwaren van eiser is het college – met aanpassing van de motivering van besluit II – bij beide besluiten gebleven.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
Bij brief van 2 juni 2026 aan het college heeft de rechtbank een aantal in het dossier ontbrekende stukken opgevraagd.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van het college. Tijdens de zitting heeft het college kopieën van de bij brief van 2 juni 2026 gevraagde stukken overgelegd.
2.7.
Eiser heeft op de zitting aangegeven dat hij is ingeschreven (op het adres van zijn vakantiewoning) in [plaats 2] . Dit is door de gemachtigde van het college betwist omdat uit raadpleging van de brp-gegevens voor de zitting zou zijn gebleken dat eiser nog in de Registratie Niet-Ingezetenen (RNI) is ingeschreven. Verder heeft de gemachtigde van het college ter zitting gesteld dat er voor de zitting contact is geweest met mensen van het interventieteam van het team Toezicht en Handhaving van de gemeente [plaats 1] (interventieteam) dat het huisbezoek bij eisers vader heeft afgelegd en dat is bevestigd dat zij niet de indruk hadden dat eisers vader overdonderd/verward was.
2.8.
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting niet gesloten, omdat zij de bevestiging van de inschrijving van eiser op het adres in [plaats 2] en van (de inhoud van) het contact met het interventieteam wil betrekken in de beoordeling van het beroep. Op de zitting is met partijen afgesproken dat zij deze specifieke stukken binnen twee weken na de zitting indienen en dat de rechtbank daarna het onderzoek zal sluiten tenzij één van de partijen aangeeft alsnog een nadere zitting te wensen. De gemachtigde van eiser heeft op zitting al aangegeven dat er geen behoefte is aan een nadere zitting en heeft bij brief van 11 juni 2026 de bevestiging van de inschrijving ingediend.
2.9.
De gemachtigde van het college heeft bij brief van 11 juni 2026 (als bijlage 3) de gevraagde bevestiging van het contact met het interventieteam ingediend. Dit stuk zal de rechtbank bij de beoordeling van het beroep betrekken. In de brief van 11 juni 2026 heeft het college echter ook informatie en stukken overgelegd die vallen buiten de gemaakte procesafspraak op zitting.
2.10.
Eiser heeft hierover aangevoerd dat het college deze informatie en stukken al in/bij zijn verweerschrift had kunnen opnemen en heeft – kort gezegd – verzocht om deze informatie en stukken buiten beschouwing te laten en niet aan het dossier toe te voegen.
2.11.
Omdat het college de informatie en stukken (anders dan de genoemde bijlage 3) in strijd met de gemaakte procesafspraken heeft overgelegd, laat de rechtbank deze informatie en stukken buiten beschouwing wegens strijd met de goede procesorde.
Door eiser gestelde strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht
3. Artikel 3:46 van de Awb bepaalt dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. De rechtbank is van oordeel dat door het in het bestreden besluit te beslissen op zowel op het bezwaar tegen besluit I als het bezwaar tegen besluit II en niet in separate besluiten te beslissen op het bezwaar – anders dan eiser stelt – er geen sprake is van een gebrekkige, onduidelijke motivering.
Uitschrijving brp
4. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) moeten de in de brp vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn, zodat de gebruikers van de gegevens erop kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Met het oog daarop moeten in de brp gegevens over de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene worden geregistreerd.
4.1.
De uitschrijving uit het brp van eiser per 14 augustus 2023 is gebaseerd op artikel 2.22, eerste lid, van de Wet brp. Hierin is bepaald wanneer iemand ambtshalve wordt uitgeschreven als ingezetene uit de brp. Daarvoor gelden drie voorwaarden: 1) de ingezetene kan niet worden bereikt, 2) van hem is geen aangifte van wijziging van adres of van vertrek ontvangen en 3) na gedegen onderzoek kunnen geen gegevens over hem worden achterhaald over het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland en het volgende verblijf buiten Nederland.
4.2.
De eerste voorwaarde houdt in dat de ingezetene niet daadwerkelijk woont, en daarom niet in persoon bereikbaar is, op zijn in de brp geregistreerde woonadres. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling houdt bereikbaarheid in de zin van artikel 2.22 van de Wet brp in dat een ingezetene bereikbaar is op het adres waar hij woont. De voorwaarde houdt in dat de ingezetene daadwerkelijk woont, en om die reden in persoon bereikbaar is, op zijn in de brp geregistreerde woonadres. Zoals volgt uit artikel 1.1, onder o, sub 1°, van de Wet brp betekent wonen bestendig verblijven. Hierbij komt mede veel gewicht toe aan de plaats waar de betrokkene de meeste tijd overnacht. Wanneer iemand niet op één of meer adressen woont, is het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derde van de tijd zal overnachten het woonadres. Onvoldoende voor de vereiste bereikbaarheid is de enkele bereikbaarheid per telefoon, e-mail of op het brp-adres per post.
4.3.
Het als derde voorwaarde van artikel 2.22 van de Wet brp genoemde adresonderzoek strekt er onder meer toe te onderzoeken of aan de vereiste bereikbaarheid is voldaan. Artikel 2.22, eerste lid, derde voorwaarde, van de Wet brp vereist dat dit onderzoek gedegen is. Voor het uitvoeren van het adresonderzoek is de Circulaire Adresonderzoek BRP (de Circulaire) ontwikkeld. In de Circulaire staat dat het doel van het onderzoek is om de feitelijke verblijfplaats van de persoon te achterhalen en de Brp op orde te brengen, of te voorkomen dat er foute adresinschrijvingen in de Brp terecht komen. Volgens de Circulaire is het belangrijk om verder te kijken dan het adres in de Brp. Om het feitelijke adres van de persoon te achterhalen, wordt als hoofdregel aanbevolen om ten minste twee verschillende bronnen – bijvoorbeeld nutsbedrijven, woningbouwcorporaties, woningeigenaren, werkgevers, uitkeringsinstanties en ziektekostenverzekeraars – te raadplegen. Ook kan bijvoorbeeld contact opgenomen worden met de organisatie die de terugmelding heeft gedaan, en kunnen internet en/of sociale media worden geraadpleegd.
4.4.
De ambtshalve uitschrijving uit de brp op grond van artikel 2.22 van de Wet brp is een belastend besluit, waarbij het aan het college is om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te vergaren die een dergelijke uitschrijving rechtvaardigen. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet brp volgt dat niet lichtvaardig tot ambtshalve opschorting van de bijhouding van een persoonslijst (uitschrijving uit de brp) mag worden overgegaan, omdat dit voor de ingeschrevene grote gevolgen kan hebben zoals het stopzetten van uitkeringen en andere dienstverlening. Uitschrijving kan niet eerder plaatsvinden dan nadat een gedegen onderzoek geen nieuwe gegevens heeft opgeleverd over het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland of het verblijf buiten Nederland van betrokkene. De wetgever heeft verder opgemerkt dat het cruciale punt is dat de werkelijke situatie in de gevallen waarin uitschrijving plaatsvindt, niet bekend is.
Heeft het college een gedegen onderzoek uitgevoerd?
4.5.
Het college is – naar aanleiding van een melding bij een inschrijving van een bewoner op het adres [adres 2] dat de eigenaar van die woning (zijnde eiser) niet in de woning slaapt en dat de woning aan vier personen wordt verhuurd – op 14 augustus 2023 een adresonderzoek gestart en heeft eiser een “verklaring woonadres met toestemming van de andere bewoner” gestuurd. Op deze – op 21 september 2023 terugontvangen verklaring – heeft eiser aangegeven dat deze verklaring niet van toepassing is omdat hij eigenaar en bewoner is.
4.6.
Naar aanleiding van deze verklaring heeft het interventieteam op 23 september 2023 een huisbezoek afgelegd. Uit het verslag van dit huisbezoek blijkt dat eiser niet thuis is aangetroffen, dat het huis vijf (slaap)kamers heeft waarvan de bewoningssituatie is beschreven, dat de op dat moment aanwezige twee bewoners hebben verklaard dat er vijf mensen in het huis wonen en dat eiser niet woonachtig is op het adres. Een bewoner heeft aangegeven dat eiser wel eens onaangekondigd binnenkomt. De bevindingen zijn neergelegd in een constateringsrapportage van 28 september 2023.
4.7.
Op 16 november 2023 heeft het college eiser een herinneringsbrief gestuurd met het verzoek zijn adreswijziging door te geven. Daarop heeft eiser niet gereageerd.
4.8.
Op 21 november 2023 is een tweede huisbezoek afgelegd. Uit het verslag van dit huisbezoek blijkt dat eiser niet is aangetroffen en dat de op dat moment aanwezige drie (van vijf) bewoners hebben verklaard dat eiser niet woonachtig is op het adres. De bewoning van de vijf (slaap)kamers is – anders dan in de constateringsrapportage van 28 september 2023 – niet in de constateringsrapportage beschreven.
4.9.
Dit onderzoek is voor het college aanleiding geweest om besluit I te nemen.
5. De rechtbank oordeelt dat het uitgevoerde onderzoek in dit geval niet voldoende zorgvuldig is geweest om over te gaan tot uitschrijving van eiser uit de brp. Dat oordeel is gebaseerd op het volgende.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat het college niet lichtvaardig tot uitschrijving mag overgaan en dat uitschrijving beperkt zou moeten blijven tot gevallen waarin de werkelijke situatie niet bekend is. Op basis van de huisbezoeken van 23 september 2023 en 21 november 2023 heeft het college mogen vaststellen dat eiser niet woonde op [adres 2] . Dit gelet op de verklaringen van de huurders en de omstandigheid dat op die momenten er geen slaapkamer beschikbaar was voor eiser om naast de huurders in het pand te wonen. Deze feiten heeft eiser niet op aannemelijke wijze betwist.
5.1.1.
In beroep voert eiser – kort gezegd – aan hij wel op het adres woonde, gelet op de gewenste omgangsregeling met zijn kind en de huisvesting van diverse studenten in die tijd waar hij als een hospes toezicht op hield en die hij met raad en daad terzijde stond om in Nederland wegwijs te worden. Deze niet met stukken onderbouwde stellingen zijn onvoldoende om de constateringen van de huisbezoeken te ontkrachten. Eisers heeft verder gesteld dat hij zelf in de woonruimte boven de garage (de blauwe kamer) woonde, omdat dat de grootste separate kamer in het huis was en met een eigen aparte opgang via de garage te bereiken was, en hij op die wijze ongestoord door de studenten de beschikking had over een eigen toegang. Deze stelling is in strijd met de constateringen van het huisbezoek van 23 september, waar is vastgesteld dat die woonruimte boven de garage op dat moment feitelijk door een huurder in gebruik was. Ook is met de constateringsrapportage van 21 november 2023 aannemelijk dat eiser gelet op de vijf huurders ook op dat moment niet op het adres woonde.
5.1.2.
Die feiten maken dat het college het adres per 23 september 2023 conform de Circulaire ‘in onderzoek’ moest zetten. Hiermee is voldaan aan de eerste voorwaarde van artikel 2.22 van de Wet brp.
5.2.
Aan de derde voorwaarde, dat op basis van een gedegen onderzoek geen gegevens konden worden achterhaald over waar eiser daadwerkelijk verbleef, is echter niet voldaan. Het college heeft behalve de twee huisbezoeken geen andere onderzoeksactiviteiten uitgevoerd om de feitelijke verblijfplaats van eiser te achterhalen. Zo is bijvoorbeeld niet gebleken dat het college andere bronnen – zoals nutsbedrijven, werkgevers, uitkeringsinstanties en ziektekostenverzekeraars – heeft geraadpleegd, zoals in de Circulaire is beschreven. Ook is niet gebleken dat internet en/of sociale media zijn geraadpleegd. Een andere, aanvullende mogelijkheid zou zijn geweest dat het college eiser per e-mail of telefonisch had geïnformeerd dat het zijn feitelijke verblijfplaats wenst te achterhalen en dat eiser in de gelegenheid wordt gesteld om daartoe objectieve informatie en stukken te verstrekken. Dit zouden bijvoorbeeld een overzicht van pintransacties, afleveradressen van online bestelde producten of maaltijden, of locatiegegevens van zijn telefoon kunnen zijn. Dat zulke onderzoekshandelingen niet zijn verricht, wringt te meer omdat eiser via zijn gemachtigde heeft laten weten dat hij een enigszins nomadisch bestaan leidt, een onroerend goed portefeuille beheert waar hij vanwege wisselingen van huurders, onderhoud en aanverwante zaken druk mee is, en regelmatig in het buitenland verblijft. Hij heeft wel per brief laten weten dat zijn adres op de [adres 2] is en hij is ten behoeve van zijn latere inschrijving op adres [adres 1] in persoon aan de balie verschenen. Onder deze omstandigheden zijn de twee huisbezoeken onvoldoende om de werkelijke situatie vast te stellen.
5.3.
Daar komt bij dat bij een controlebezoek (dat zag op de naleving van regelgeving omtrent kamerverhuur) op 7 maart 2024 eiser wel is aangetroffen op het adres [adres 2] . Dit volgt uit het op ambtsgelofte opgemaakte constateringsrapport, waarin is vermeld dat tijdens de inspectie één bewoner, tevens de eigenaar, aanwezig was en dat de huidige situatie is dat er nog maar twee slaapkamers in gebruik zijn, één door eiser en één door een ander persoon en dat er nog maar drie personen ingeschreven staan waarvan er twee in adresonderzoek worden gezet omdat deze hier niet meer woonachtig zijn. Dit constateringsrapport vormt een sterke aanwijzing dat eiser in ieder geval op 7 maart 2024 inmiddels (weer) wel in de woning woonde. Die bevindingen stroken met het standpunt van eiser dat er op dat moment nog maar één huurder in de woning woont, naast eiser zelf. De stellingen van het college dat deze bevinding geen betrouwbaar deel van het onderzoek is, omdat het niet bedoeld is voor adresonderzoek in het kader van de brp, het onderdeel is van een geplande afspraak ter bestuurlijke controle van een overtreding van de Huisvestingswet, terwijl bij een dergelijke controle al gesproken wordt van een ‘bewoner’, wanneer er door diegene die aanwezig is bij de controle wordt verklaard dat hij of zij de bewoner is, maakt deze gegevens naar het oordeel van de rechtbank niet onbruikbaar voor de constatering dat eiser op 7 maart 2024 op het adres woonde.
5.4.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank het bestreden besluit over de uitschrijving van eiser uit de brp per 14 augustus 2023 zal vernietigen en besluit I zal herroepen, omdat het college onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de feitelijke verblijfplaats van eiser zodat eisers uitschrijving uit de brp in strijd is met de voorwaarden van artikel 2.22 van de Wet brp.
5.4.1.
Het college stelt dat wanneer besluit I herroepen wordt, eiser weer per 14 augustus 2023 ingeschreven zou moeten worden in de bpr op het adres [adres 2] , terwijl dit niet mogelijk is omdat er inmiddels nieuwe bewoners op dit adres woonachtig zijn. Dit standpunt is onjuist. Het gevolg van de herroeping van besluit I is dat eiser per 14 augustus 2023 in de brp wordt ingeschreven. Echter, omdat het college heeft mogen concluderen dat eiser per die datum niet daadwerkelijk woont op dit adres (deelresultaat van het adresonderzoek, eerste voorwaarde), wordt dit deelresultaat van het adresonderzoek overeenkomstig stap 4.2 van de Circulaire opgenomen op de persoonslijst. Zo is in de Brp zichtbaar dat eiser per 14 augustus 2023 niet (langer) op het adres woont waarop hij ingeschreven staat, maar dat het onderzoek naar het (nieuwe) woonadres (per die datum) nog loopt. Daarnaast is het gevolg van herroeping van besluit I dat het college zich zal moeten inspannen om, met inachtneming van deze uitspraak, alsnog het (met de derde voorwaarde van artikel 2.22, eerste lid, van de Wet brp benodigde) gedegen onderzoek te verrichten naar eisers verblijf vanaf 14 augustus 2023. De rechtbank merkt daarbij op dat eisers inschrijving op het adres [adres 2] vanzelfsprekend eindigt op de datum van inschrijving van de (na verkoop van de woning) nieuwe bewoners op het adres.
Afwijzing (her)inschrijving adres [adres 1]
6. Eiser heeft op 18 juni 2024 een aangifte van verhuizing per 1 juli 2024 naar de [adres 1] in [plaats 1] gedaan en zich op 8 augustus 2024 persoonlijk aan de balie gemeld. Dat heeft geleid tot besluit II.
6.1.
Gelet op het oordeel van de rechtbank onder punt 5.4, waaruit volgt dat het besluit tot uitschrijving op onjuiste gronden is genomen, is onduidelijk of het college de aanvraag om (her)inschrijving op adres [adres 1] aan een onjuiste grondslag heeft getoetst. Immers, voordat het benodigde gedegen onderzoek is verricht naar eisers verblijf vanaf 14 augustus 2023, is onduidelijk of eisers aangifte van 18 juni 2024 als aangifte van adreswijziging of als aangifte van herinschrijving moet worden beschouwd.
6.2.
Gelet hierop is het bestreden besluit wat betreft het afgewezen verzoek om (her)inschrijving in de brp op het adres [adres 1] in strijd met de vereiste zorgvuldigheid (artikel 3:2 van de Awb) genomen. De rechtbank zal het bestreden besluit in zoverre vernietigen en besluit II herroepen.
Conclusie en gevolgen van het beroep
7. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat de uitschrijving uit de brp van eiser per 14 augustus 2023 geen stand kan houden. Omdat onduidelijk is hoeveel tijd met nader onderzoek naar het verblijf van eiser vanaf die datum gemoeid zal zijn, als gevolg waarvan het deelresultaat ‘in onderzoek’ kan komen te vervallen en kan worden vervangen door een andere beslissing, doet de rechtbank geen tussenuitspraak. Wel zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien in die zin dat dat zij de uitschrijving per 14 augustus 2023 (in besluit I) herroept. Omdat besluit II op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, en onduidelijk is wat de uitkomst is van het onderzoek in verband met besluit I, herroept de rechtbank ook besluit II. Dit betekent dat het college, na het onderzoek in verband met besluit I, opnieuw op de aanvraag van eiser van 18 juni 2024 zal moeten beslissen.
8. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Eiser heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde van eiser heeft een bezwaarschrift ingediend en is op een hoorzitting verschenen, hij heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200,-.
Verzoek om schadevergoeding
9. Eiser verzoekt de rechtbank het college te veroordelen tot het vergoeden van de schade voortvloeiende uit de door het college onrechtmatig genomen besluiten, nader op te maken bij staat. Hij stelt door de handelwijze van het college schade te lijden. Sedert 14 augustus 2023 beschikt eiser immers niet over een woonadres in de brp van [plaats 1] . Genoemde schade ziet bijvoorbeeld op (niet uitputtend): het gemis van toekomstige AOW-pensioenuitkering, geen ziektekostenverzekering zonder brp-inschrijving impliceert geen vergoeding van ziektekosten sedert 14 augustus 2023, het niet ontvangen van post van officiële instanties zoals Belastingdienst, RDW e.d. met boetes tot gevolg. Al met al beloopt deze schade inmiddels een substantieel bedrag. Eiser behoudt zich het recht voor deze schade, nader op te maken bij staat, op het college te verhalen.
9.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de geleden schade niet in causaal verband staat tot de uitschrijving uit de brp. Verder had eiser zijn schade kunnen beperken door zijn adres in de Registratie Niet-Ingezetenen te laten opnemen zodat correspondentie met instanties mogelijk is. Verder stelt het college zich op het standpunt dat er geen verzoek tot vergoeding van schade is ingediend zoals bedoeld in artikel 8:92 van de Awb.
9.2.
Gelet op artikel 8:91, eerste en tweede lid, van de Awb staat de omstandigheid dat eiser niet eerst een verzoek om schadevergoeding bij het college heeft ingediend er niet aan de weg dat de bestuursrechter op het in beroep ingediende verzoek beslist.
9.3.
De rechtbank wijs het verzoek af omdat eiser weliswaar een aantal omstandigheden heeft benoemd waarvan hij stelt dat die schade tot gevolg hebben, maar hij heeft die schade onvoldoende onderbouwd. Hij had bijvoorbeeld bewijsstukken kunnen overleggen van de boetes die hij zegt te hebben ontvangen en een overzicht van de SVB met een toegepaste korting op zijn AOW. Dergelijke stukken heeft eiser niet overgelegd. Gelet hierop heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij de gestelde schade daadwerkelijk heeft geleden.