1 De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 28 mei 2026, met producties 1 tot en met 26,
de brief van Blasket aan de voorzieningenrechter van 2 juni 2026,
het bericht van de voorzieningenrechter van 2 juni 2026,
de brief van Spanje aan de voorzieningenrechter van 3 juni 2026,
de brief van Blasket aan de voorzieningenrechter van 3 juni 2026,
het bericht van 4 juni 2026 van de voorzieningenrechter,
de akte houdende overlegging aanvullende producties van Spanje, met producties 27 tot en met 29,
het bericht van 24 juni 2026 van de voorzieningenrechter, met daarin het bevel aan Blasket om haar eerder op die dag ingediende conclusie van antwoord in te korten tot maximaal 50 pagina’s,
de brief van Spanje aan de voorzieningenrechter van 25 juni 2026,
de akte houdende overlegging aanvullende producties van Spanje, met producties 30 tot en met 36,
het bericht van 26 juni 2026 van de voorzieningenrechter,
de (ingekorte) conclusie van antwoord, vorderingen in reconventie van Blasket, met producties 1 tot en met 80,
de schriftelijke opmerkingen van de Commissie, met producties 1 tot en met 5,
de incidentele conclusie tot tussenkomst, tevens houdende conclusie van antwoord in kort geding van de Staat, met producties 1 tot en met 7,
de als akte tussenkomst aangeduide brief van Blasket van 29 juni 2026 met een voorwaardelijke vordering in reconventie,
het bericht van de voorzieningenrechter van 29 juni 2026,
de spreekaantekeningen van mrs. Krzeminski en Klein,
de pleitnoties van mrs. Verkerk en Biezenaar,
de pleitnota van [persoon A] en [persoon C] .
1.2.
De mondelinge behandeling vond plaats op 30 juni 2026. Met toepassing van artikel 29 lid 2 Vo. 2015/1589 heeft de voorzieningenrechter de Commissie toestemming gegeven om ter zitting mondelinge opmerkingen te maken.
1.3.
De Staat heeft gevorderd om te mogen tussenkomen in het geding. Blasket heeft daar bezwaar tegen gemaakt. Volgens Blasket zou de tussenkomst tot ongelijkheid leiden, omdat de Staat zich, net als de Commissie, achter Spanje schaart. Spanje zou daardoor tijdens de zitting indirect meer spreektijd krijgen. Verder heeft Blasket gesteld dat zij in haar belangen werd geschaad doordat het incident te laat was opgeworpen.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft de tussenkomst aan het begin van de mondelinge behandeling toegestaan, omdat de Staat een zelfstandig belang heeft bij haar vordering. Tussen de lidstaten van de Europese Unie (hierna: de EU), waaronder Nederland en Spanje, geldt een loyale samenwerkingsplicht op grond waarvan zij elkaar moeten bijstaan in het naleven van hun verdragsverplichtingen. Door tussen te komen in dit geding voldoet de Staat aan die samenwerkingsplicht. Verder is meegewogen dat Blasket haar conclusie van antwoord met producties zelf ook laat heeft ingediend, de incidentele conclusie tot tussenkomst in omvang beperkt is en Blasket al grotendeels bekend was met de standpunten van de Staat. Overigens heeft de Staat weinig spreektijd nodig gehad om zijn standpunten nader toe te lichten.