Procesverloop
2. Met de besluiten van 13 december 2024 (de primaire besluiten) heeft verweerder aan eiseres boetes opgelegd van elk € 5.000,-, omdat zij volgens verweerder bij of krachtens de Wet dieren gestelde voorschriften heeft overtreden.
2.1.
Met het besluit van 17 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van verweerder en [naam 1] , toezichthouder bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
Beoordeling door de rechtbank
Boetezaak 202401179
3. In het rapport van bevindingen van 14 november 2024 heeft een toezichthouder van de NVWA gerapporteerd dat hij/zij zich naar aanleiding van een regulier toezicht op 28 september 2023 omstreeks 11:45 uur bevond op het slachthuis van eiseres. In dat rapport is het volgende beschreven:
“Tijdens mijn inspectie bevond ik mij in koelcel nummer 42. Op dit punt in het slachtproces zijn alle slacht- en opknaphandelingen in het kader van de PM keuring afgelopen.
Ik controleerde in koelcel nummer 42 20 karkassen op (fecale) bezoedeling. Deze controle wordt 2 keer per week uitgevoerd, samen met de controlelijst expeditie of afsteekstraat. Dit vindt gerandomiseerd plaats. Tijdens mijn controle zag ik dat een kalverkarkas fecale bezoedeling had op de linkerzijde van de buik ter hoogte van de knie en ook aan de binnenzijde, op het buikvlies. De slachtdatum van dit karkas was 28-9-2023.
Aan de groene kleur en vezelachtige structuur was duidelijk te zien dat het fecale bezoedeling was, zie fotobijlage foto 1 t/m 5. Dit hele kalverkarkas was al goedgekeurd voor menselijke consumptie, te zien aan de ‘EG 49’ stempel zie foto 4 en 5. Omdat het karkas verontreinigd is met fecale bezoedeling is het niet geschikt voor menselijke consumptie.
Naar aanleiding van mijn bevindingen heb ik de heer [naam 2] gebeld evenals de heer
[naam 3] met de vraag of zij naar koelcel 42 konden komen. De heer [naam 2] was als eerste ter plaatse. Ik heb hem geïnformeerd en hem de bezoedeling getoond. Ik zag dat hij eerst bezoedeling aan de buitenzijde weg probeerde te vegen met zijn duim, daarna heeft hij de overige bezoedeling en plaats waar geveegd was verwijderd door middel van snijden. Hij heeft deze stukken later aan de heer [naam 3] getoond.”
Boetezaak 202401462
3.1.
In het rapport van bevindingen van 14 november 2024 heeft een toezichthouder van de NVWA gerapporteerd dat hij/zij zich naar aanleiding van een regulier toezicht op 2 oktober 2023 omstreeks 10:20 uur bevond op het slachthuis van eiseres. In het rapport is het volgende beschreven:
“Tijdens mijn inspectie bevond ik mij in koelcel nummer 41. Op dit punt in het slachtproces zijn alle slacht- en opknaphandelingen in het kader van de PM keuring afgelopen.
Ik controleerde in koelcel nummer 41 20 karkassen op (fecale) bezoedeling. Deze controle wordt 2 keer per week uitgevoerd, samen met de controlelijst expeditie of afsteekstraat. Dit vindt gerandomiseerd plaats. Tijdens mijn controle zag ik dat een kalverkarkas fecale bezoedeling had aan de bovenzijde van de rechtervoorpoot.
Aan de groene kleur en vezelachtige structuur was duidelijk te zien dat het fecale bezoedeling was, zie fotobijlage foto’s 1 t/m 4. Dit karkas was al goedgekeurd voor menselijke consumptie, te zien aan de ‘EG 49’ stempel zie fotobijlage foto’s 1, 3 en 4. Omdat het karkas verontreinigd is met fecale bezoedeling is het niet geschikt voor menselijke consumptie.
Naar aanleiding van mijn bevindingen heb ik de heer [naam 3] gebeld met de vraag of hij naar koelcel 41 wilde komen. Ik heb hem geïnformeerd en hem de bezoedeling getoond. Daarna heeft hij de bezoedeling weggesneden.”
Boetezaak 202401690
3.2.
In het rapport van bevindingen van 15 november 2024 heeft een toezichthouder van de NVWA gerapporteerd dat hij/zij zich op 19 oktober 2023, omstreeks 8:15 uur in het kader van regulier toezicht bevond op het slachthuis van eiseres. In het rapport is het volgende beschreven:
“Tijdens mijn inspectie bevond ik mij in koelcel nummer 42. Op dit punt in het slachtproces zijn alle slacht- en opknaphandelingen in het kader van de PM-keuring afgelopen.
Ik controleerde in koelcel nummer 42, 20 karkassen op (fecale) bezoedeling. Tijdens mijn
controle zag ik dat op 2 kalverkarkassen fecale bezoedeling aanwezig was, op de borst en op de buikwand. Dit is genoteerd op het controle formulier, zie fotobijlage 5. Aan de kleur en consistentie was duidelijk te zien dat het fecale bezoedeling was, zie fotobijlage foto’s 1,3.
Dit karkasdeel was al goedgekeurd voor menselijke consumptie, te zien aan de ‘EG 49’
stempel. Omdat het vleesdeel verontreinigd is met fecale bezoedeling is het niet geschikt voor menselijke consumptie. zie fotobijlage 4.
Naar aanleiding van mijn bevindingen ben ik de heer [naam 2] in de slachthal gaan halen met de vraag of hij met mij naar koelcel 42 wilde komen. Ik heb hem geïnformeerd en hem de bezoedeling getoond. Daarna is de bezoedeling weggesneden.”
Alle boetezaken
4. Op basis van de hiervoor genoemde rapporten van bevindingen heeft verweerder met de primaire besluiten aan eiseres een boete opgelegd van elk € 5.000,- voor het volgende feit: levensmiddelen werden niet in alle stadia van de productie, verwerking en distributie beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor het vlees ongeschikt kan worden voor menselijke consumptie, schadelijk kan worden voor de gezondheid, dan wel op een zodanige wijze kan worden verontreinigd dat het redelijkerwijze niet meer in die staat kan worden geconsumeerd. Dit is volgens verweerder een overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in verbinding met artikel 2.4, eerste lid, onder c, van de Regeling dierlijke producten, in verbinding met artikel 4, tweede lid, en bijlage II, hoofdstuk IX, punt 3, van Verordening (EG) 852/2004. In de drie boetezaken is het boetebedrag voor het beboetbare feit op grond van artikel 2.5 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren verhoogd, omdat eiseres eerder op 16 december 2022 (boetezaaknummer 202202228) is beboet voor eenzelfde overtreding en er nog geen vijf jaar verlopen zijn sinds die eerdere boete onherroepelijk is geworden.
4.1.
Met het bestreden besluit heeft verweerder de primaire besluiten gehandhaafd.
5. Eiseres heeft aangevoerd dat de opgelegde boete niet in stand kan blijven, omdat niet inzichtelijk is wanneer verweerder welk voorschrift aan een overtreding vanwege bezoedeling ten grondslag legt. In vergelijkbare zaken waarbij eveneens bezoedelingen zijn aangetroffen nadat alle slachthandelingen waren verricht en het karkas was gestempeld, zijn de punten 7 en 10 in hoofdstuk IV, sectie I, van bijlage III van Verordening (EG) 853/2004 aan boeteoplegging ten grondslag gelegd. Verweerder had de punten 7 en 10 aan de boete ten grondslag moeten leggen, omdat die punten specifiek zien op bezoedelingen die in de uitslachtfase zijn ontstaan en verweerder er van uitgaat dat de bezoedelingen in de uitslachtfase, dus voor het stempelen, moeten hebben plaatsgevonden. Verweerder heeft de boete daarom niet op punt 3 in hoofdstuk IX van bijlage II van Verordening (EG) 852/2004 mogen baseren. Hierdoor is eiseres in haar verweren beperkt omdat verweerder er wel van uitgaat dat de bezoedeling tijdens het uitslachten is ontstaan, maar dat niet aan eiseres verwijt.
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De punten 7 en 10 in hoofdstuk IV, sectie I van bijlage III, van Verordening (EG) 853/2004 schrijven voor dat verontreiniging van het vlees moet worden voorkomen en onmiddellijk moet worden verwijderd. Zoals het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) meermaals heeft geoordeeld, onder meer in de uitspraak van 30 november 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:1029), zien deze voorschriften op de uitslachtfase en moet vóór de postmortemkeuring, die het einde van deze fase van het slachten markeert, aan deze voorschriften zijn voldaan. In de drie boetezaken is de bezoedeling van het vlees geconstateerd in de koelcel op het punt in het slachtproces dat alle slacht- en opknaphandelingen in het kader van de postmortemkeuring zijn afgelopen. Dit is na de uitslachtfase. De rechtbank volgt eiseres dan ook niet in haar standpunt dat verweerder in dit geval punt 7 en 10 aan de overtreding ten grondslag had moeten leggen. Eiseres heeft gesteld dat verweerder ervan uitgaat dat de fecale bezoedeling in de uitslachtfase is ontstaan, maar ook al zou dit het uitgangspunt zijn, dan maakt dat nog niet dat verweerder de punten 7 en 10 aan de overtreding ten grondslag moet leggen. De constatering is immers in een verder stadium dan de uitslachtfase gedaan. Bovendien zijn er situaties denkbaar waarin een fecale bezoedeling pas na de uitslachtfase op vlees terecht komt of zichtbaar wordt. Anders dan de punten 7 en 10 in hoofdstuk IV, sectie I van bijlage III, van Verordening (EG) 853/2004, ziet punt 3 in hoofdstuk IX van bijlage II van Verordening (EG) 852/2004 op alle stadia van de productie, verwerking en distributie en dus ook in de koelcel van eiseres nadat het vlees voor menselijke consumptie is goedgekeurd. Verweerder heeft dan ook terecht punt 3 aan de overtreding ten grondslag gelegd. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat eiseres hierdoor in haar verweren is beperkt.
5.2.
Overigens volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat de algemene hygiënevoorschriften van bijlage II van Verordening (EG) 852/2004 (waaronder punt 3 in hoofdstuk IX) en de specifieke voorschriften van Verordening (EG) 853/2004 (waaronder de punten 7 en 10 in hoofdstuk IV, sectie I, van bijlage III) elkaar niet uitsluiten en naast elkaar kunnen bestaan. Dat neemt niet weg dat verweerder, zoals ter zitting is toegelicht, wel een keuze maakt in het voorschrift dat bij een bezoedeling ten laste wordt gelegd. Verweerder hanteert als uitgangspunt dat de punten 7 en 10 ten laste wordt gelegd als een bezoedeling wordt aangetroffen in de uitslachtfase of kort na de stempelaar, en daarbuiten punt 3. Of dit uitgangspunt in een specifieke zaak wordt gevolgd is afhankelijk van de inrichting van het slachthuis en de feiten en omstandigheden in dat geval. De rechtbank vindt deze werkwijze navolgbaar.
6. Eiseres heeft aangevoerd dat zij aan punt 3 in hoofdstuk IX van bijlage II van Verordening (EG) 852/2004 voldoet, omdat zij protocollen heeft die waarborgen bieden ter bescherming van levensmiddelen. Een van die waarborgen is dat er na het stempelen eigen controles door eiseres plaatsvinden, maar voordat eiseres die controles kon uitvoeren, is het boeterapport geschreven.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Punt 3 in hoofdstuk IX van Bijlage II van Verordening (EG) 852/2004 schrijft voor dat levensmiddelen in alle stadia van de productie, verwerking en distributie moeten worden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging, waardoor de levensmiddelen ongeschikt kunnen worden voor menselijke consumptie, schadelijk worden voor de gezondheid, dan wel op een zodanige wijze kunnen worden verontreinigd dat zij redelijkerwijs niet meer in die staat kunnen worden geconsumeerd. De bezoedelingen zijn aangetroffen in de koelcel op het punt in het slachtproces dat alle slacht- en opknaphandelingen in het kader van de postmortemkeuring zijn afgelopen, zodat sprake is van overtreding van punt 3. Het feit dat er in het bedrijf van eiseres na het stempelen eigen controles door eiseres plaatsvinden, maakt niet dat er geen sprake was van een overtreding of dat er om die reden aanleiding zou bestaan om tot matiging van de boete over te gaan.
7. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiseres in de drie boetezaken het voorschrift in punt 3 in hoofdstuk IX van bijlage II van Verordening (EG) 852/2004 heeft overtreden. Gelet op artikel 8.7 van de Wet dieren was verweerder bevoegd om eiseres daarvoor een boete op te leggen.
8. Tot slot heeft eiseres aangevoerd dat het bedrag voor het beboetbare feit ten onrechte wegens recidive is verhoogd. Het besluit van 16 december 2022 dat aan de verhoging ten grondslag is gelegd, heeft weliswaar betrekking op dezelfde norm (punt 3 in hoofdstuk IX van bijlage II van Verordening (EG) 852/2004), maar deze norm is te ruim om als grondslag voor verhoging te kunnen dienen. De feiten zijn niet vergelijkbaar. In het besluit van 16 december 2022 gaat het om een lekkage van het dak, terwijl het in deze zaak gaat om bezoedeling tijdens het slachtproces, aldus eiseres.
8.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Zoals hiervoor onder 7. is overwogen heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiseres de overtredingen heeft begaan, zodat verweerder bevoegd was om eiseres daarvoor een boete op te leggen. In de bijlage van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren is de standaardboete voor deze overtredingen vastgesteld op
€ 2.500,-. Uit artikel 2.5, eerste lid, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren volgt dat het boetebedrag wordt verhoogd met het bedrag van een eerder aan de overtreder opgelegd boete als er nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds die eerdere boete onherroepelijk is geworden en die boete was opgelegd voor eenzelfde overtreding. In de Nota van Toelichting bij het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren is benoemd dat dit voorschrift is beperkt tot gevallen waarin hetzelfde voorschrift opnieuw wordt overtreden. Eiseres is bij besluit van 16 december 2022 een boete opgelegd van € 2.500,- voor overtreding van artikel 4, tweede lid, en bijlage II, hoofdstuk IX, onder 3, van Verordening (EG) 852/2004. Hoewel het overtreden voorschrift een zeer ruime norm betreft en denkbaar is dat boeteverhoging vanwege recidive bij een dergelijk ruime norm niet in alle gevallen redelijk is te achten, is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat er reden is voor matiging. Eiseres heeft geen rechtsmiddelen ingesteld tegen de eerder opgelegde boete en heeft haar stelling dat sprake was van een eenmalig incident vanwege een hoosbui niet onderbouwd. De eerdere boete was opgelegd voor overtreding van hetzelfde voorschrift als de onderhavige boete. In beide gevallen was sprake van een situatie waarin eiseres levensmiddelen niet heeft beschermd tegen verontreiniging. Dat de oorzaak of het soort verontreiniging verschilt, is op zichzelf geen reden om de recidivebepaling niet toe te passen. Hetzelfde voorschrift is overtreden en het is de bedoeling van de wetgever geweest dat in dat geval de boete wordt verhoogd met het bedrag van de eerder opgelegde boete. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan de boetes moet worden gematigd. De rechtbank vindt de opgelegde boetes van € 5.000,- evenredig.