ECLI:NL:RBROT:2026:9155
Rechtbank Rotterdam
- Uitspraak
- 2 juli 2026
- Zaaknummer
- HO RK 26/308
- Rechtsgebied
- Civiel recht; Insolventierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie
WHOA-zaak. Afkondigen afkoelingsperiode en aanstellen observator.
Uitspraak
1 De procedure
1.1.
Verzoekster heeft op 4 juni 2026 een verklaring als bedoeld in artikel 370 lid 3 Fw ter griffie gedeponeerd.
1.2.
Verzoekster heeft gekozen voor een besloten akkoordprocedure buiten faillissement.
1.3.
Verzoekster heeft op 5 juni 2026 ter griffie een verzoekschrift, met acht bijlagen, ingediend tot het afkondigen van een afkoelingsperiode ex artikel 376 Fw voor een periode van vier maanden.
1.4.
Verzoekster heeft in het verzoekschrift als belanghebbenden aangeduid:
- [belanghebbende] (hierna: [belanghebbende] );
- ING Bank N.V.
1.5.
De rechtbank heeft in de tussenbeschikking van 10 juni 2026 bij wijze van tijdelijke voorziening een afkoelingsperiode afgekondigd voor de periode totdat bij eindbeslissing op het verzoek is beslist en een datum voor de (online) mondelinge behandeling van het verzoekschrift bepaald. De rechtbank heeft in de tussenbeschikking eveneens bepaald dat verzoekster onverwijld aan [belanghebbende] een kopie van de beschikking zal toezenden en haar wijst op de mogelijkheid om via een bij de griffier van de rechtbank Rotterdam op te vragen link deel te nemen aan de zitting en een zienswijze te geven.
1.6.
De advocaat van [belanghebbende] heeft bij brief van 10 juni 2026 verzocht om een afschrift van de tussenbeschikking van 10 juni 2026, om te worden gehoord op het verzoekschrift en om een zienswijze te mogen indienen.
1.7.
Verzoekster heeft op 15 en 17 juni 2026 (mede op verzoek van de rechtbank d.d. 12 juni 2026) nadere stukken overgelegd en producties 10 tot en met 17 in het geding gebracht.
1.8.
De advocaat van [belanghebbende] heeft op 16 juni 2026 een zienswijze ingediend, met daarin mede het voorwaardelijke verzoek strekkende tot aanwijzing van een herstructureringsdeskundige ex artikel 371 Fw en producties 1 tot en met 6 in het geding gebracht.
1.9.
De verzoeken zijn op 18 juni 2026 in raadkamer behandeld en nader toegelicht. Ter zitting zijn, door middel van een online video-verbinding, verschenen en gehoord:
namens verzoekster:
- mr. M. Kooiman, advocaat,
- mr. R.T. Mets, advocaat,
- mr. B.R. Kleij, advocaat,
- [naam 1] , bestuurder van verzoekster,
- [naam 2] , accountant van verzoekster,
- [naam 3] , CFO van verzoekster,
namens [belanghebbende] :
- mr. M.D. Schuilwerve, advocaat,
- mr. S.C. de Bakker, advocaat,
- [naam 4] , Vice President and Associate General Counsel bij [belanghebbende] ,
- [naam 5] , Process Engineering Manager bij [belanghebbende] .
1.10.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben mr. Kooiman en mr. De Bakker namens respectievelijk verzoekster en [belanghebbende] spreekaantekeningen voorgedragen die zij voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben overgelegd.
1.11.
Op suggestie van de rechtbank hebben partijen naar aanleiding van de mondelinge behandeling een mediationtraject beproefd. De rechtbank heeft op 24 juni 2026 van beide partijen bericht ontvangen dat het mediationtraject niet tot afspraken tussen partijen heeft geleid. De advocaat van [belanghebbende] heeft daarbij de rechtbank verzocht om op korte termijn een kopstaart-beschikking te wijzen.
1.12.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.