ECLI:NL:RBROT:2026:9707
Rechtbank Rotterdam
- Uitspraak
- 22 juli 2026
- Zaaknummer
- 12062723 CV EXPL 26-2153
- Rechtsgebied
- Civiel recht; Verbintenissenrecht
- Procedure
- Proces-verbaal
Inhoudsindicatie
Overeenkomst van opdracht, loon over opzegtermijn. Opdrachtgever krijgt een bewijsopdracht (diefstal/verduistering/onjuiste urenregistratie door opdrachtnemer).
Uitspraak
1 De beoordeling
Wat is de kern
1.1.
Deze zaak gaat over de overeenkomst van opdracht tussen [eiser] en [gedaagde] , op basis waarvan [eiser] werkzaamheden als bedrijfsleider heeft verricht bij [gedaagde] . De overeenkomst was aangegaan voor de duur van een jaar vanaf 1 juli 2025. [gedaagde] heeft de opdracht echter op 4 augustus 2025 per direct beëindigd. [eiser] stelt dat een contractuele opzegtermijn van 2 maanden in acht had moeten worden genomen. Door dit niet te doen is [gedaagde] tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst dan wel heeft [gedaagde] gehandeld in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Daaro is [gedaagde] schadeplichtig tegenover hem, aldus [eiser] . [eiser] eist dat [gedaagde] € 12.588,- inclusief btw met rente en kosten aan hem betaalt. Dit is het loon over de opzegtermijn.
1.2.
[gedaagde] is het niet eens met de eis. Volgens [gedaagde] is [eiser] niet eerlijk geweest over zijn gewerkte uren en heeft hij diefstal dan wel verduistering gepleegd. [gedaagde] vindt daarom dat [eiser] zich niet op een opzegtermijn kan beroepen en dat zij de overeenkomst per direct mocht beëindigen. [eiser] heeft in strijd met artikel 7:403 lid 2 BW geen rekening en verantwoording afgelegd. Zij vindt dat zij niets meer aan [eiser] is verschuldigd.
De uitkomst
1.3.
[gedaagde] krijgt een bewijsopdracht. Hierna wordt toegelicht waarom.
De partijen mochten een opzegtermijn afspreken
1.4.
Het primaire verweer van [gedaagde] dat zij de overeenkomst per direct mocht beëindigen op grond van artikel 7:408 lid 1 BW slaagt niet. Partijen zijn een opzegtermijn van twee maanden overeengekomen. Dit mochten zij doen, omdat de regeling in artikel 7:408 lid 1 BW alleen van dwingend recht is voor de niet-professionele opdrachtgever. [gedaagde] kwalificeert echter als professionele opdrachtgever, omdat zij de overeenkomst is aangegaan in de uitoefening van haar bedrijf.
[gedaagde] krijgt een bewijsopdracht
1.5.
Het subsidiaire verweer van [gedaagde] is dat zij de overeenkomst met onmiddellijke ingang mocht beëindigen vanwege de hierna genoemde omstandigheden.
1.6.
[gedaagde] stelt dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal dan wel verduistering. Hij zou producten uit het restaurant mee naar huis hebben genomen, namelijk een bij Sligro bestelde messenset, twee flessen rum, Tork M2 Wiping Paper, Glorix toiletreiniger, een fles Malibu, een fles Licor 43 en andere flessen. Ook is er onder de verantwoordelijkheid van [eiser] € 230,- uit de fooienpot verdwenen en was er een kasverschil van € 100,-. Verder stelt [gedaagde] dat [eiser] teveel gewerkte uren heeft geregistreerd. Dit alles blijkt volgens [gedaagde] onder meer uit de overgelegde videobeelden met daarop een tijdsaanduiding en verklaringen van personeelsleden van het restaurant. [eiser] heeft alle verwijten betwist.
1.7.
[gedaagde] heeft de bewijslast van haar stellingen en krijgt daarom een bewijsopdracht.
1.8.
Direct nadat [gedaagde] bewijs heeft geleverd, mag [eiser] (tegen)bewijs leveren. Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld op elkaars bewijs te reageren, door middel van een conclusie na getuigenbewijs, wanneer het leveren van bewijs door beide partijen is afgerond. De kantonrechter beoordeelt daarna of het bewijs is geleverd.
1.9.
De kantonrechter wijst er op dat het verweer van [gedaagde] ook kan slagen als niet van alle maar wel van een relevant aantal verwijten de juistheid is komen vast te staan. Het is aan de kantonrechter om dat (na de bewijslevering) te beoordelen.
2.0.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.