1 De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 18 maart 2026 met de daarin genoemde stukken,
de akte van [Verhuurder] met producties,
de akte van [huurster] met één productie,
de akte van [Verhuurder] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
[Verhuurder] verhuurt aan [huurster] de woning aan het adres [adres 1] in [plaats] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 498,07 per maand.
2.2.
Op 12 november 2013 heeft [Verhuurder] per brief aan [huurster] laten weten dat het huurcontract op haar naam staat.
2.3.
[Verhuurder] heeft verschillende verklaringen van omwonenden ontvangen over de ervaren overlast:
[persoon 1] , wonende aan de [adres 2] (verklaring van 19 november 2024), heeft verklaard dat hij sinds 2019 overlast heeft ervaren van [persoon 2] (dochter [huurster] ) en haar hond. Het is lang goed gegaan, maar het geschreeuw, de beschuldigingen en het uitschelden moet stoppen.
Meneer en mevrouw [personen] , wonende aan de [adres 3] (verklaring van 19 november 2024), hebben verklaard dat zij overlast ervaren van [persoon 2] en haar hond. De overlast bestaat onder meer uit schelden en bedreigingen, schreeuwen (ook ’s nachts) en met deuren slaan. Meneer is een keer aangevallen door de hond. Daarnaast heeft mevrouw aangifte tegen [persoon 2] gedaan, omdat ze zag dat zij met een mes steekbewegingen maakte naar [buurman] . Mevrouw gaat sinds oktober 2024 niet meer alleen naar buiten met kind.
[buurman] , wonende aan de [adres 4] (verklaring 10 december 2024), ervaart overlast door [persoon 2] in vorm van ruzie maken en uitschelden en potten gooien van het balkon. Hij is 22 maart 2024 door haar bedreigd met een mes.
[persoon 3] , wonende aan de [adres 5] (verklaring van 12 december 2024), ervaart overlast door [persoon 2] in de vorm van uitschelden, dreigen en dingen van het balkon gooien.
2.4.
Op 4 december 2024 heeft de gemachtigde van [Verhuurder] aan de gemachtigde van [huurster] laten weten dat zij geen toestemming hebben gegeven voor inwoning van mevrouw [persoon 2] , de dochter van [huurster] , en dat zij dit ook niet zullen doen als de overlast door haar dochter blijft voortduren.
2.5.
Op 11 maart 2025 heeft de gemachtigde van [Verhuurder] aan de gemachtigde van [huurster] laten weten dat zij niet akkoord gaan met inschrijving of tijdelijke inwoning van de dochter op het adres van het gehuurde vanwege de overlast die dochter veroorzaakt.
2.6.
Op 25 april 2025 heeft [Verhuurder] een aangetekende brief aan [huurster] gestuurd over de verboden inwoning van haar dochter in de woning en aangegeven dat zij voor overlast zorgt. [Verhuurder] geeft aan dat mevrouw [persoon 2] uiterlijk 11 mei a.s. de woning moet hebben verlaten en kondigt een huisbezoek aan.