Naar hoofdinhoud

ECLI:NL:RBZWB:2026:8010

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Uitspraak
20 augustus 2026
Zaaknummer
BRE 23/3216, BRE 23/3217, BRE 23/3218, BRE 23/3219, BRE 23/3220, BRE 23/3221, BRE 23/3222. BRE 23/3223
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig

Inhoudsindicatie

Aan belanghebbende zijn navorderingsaanslagen IB/PVV opgelegd over de jaren 2014 tot en met 2017 in verband met bedragen die belanghebbende in deze jaren op zijn bankrekening heeft ontvangen. Over de jaren 2016 en 2017 heeft de inspecteur vergrijpboeten opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat voor ieder van de jaren sprake is van een nieuw feit. Er zijn geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de inspecteur eerder al op de hoogte was van de ontvangsten op de bankrekening. Voor het jaar 2017 was verder geen sprake van een ambtelijk verzuim, omdat de aangifte al was verwerkt vóór de aanvang van het boekenonderzoek. Het betoog van belanghebbende dat de bedragen niet aan hem toekwamen, maar moesten worden doorbetaald volgt de rechtbank niet. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende aanzienlijke bedragen van klanten heeft ontvangen en dat deze bedragen aan belanghebbende toekwamen. Naar het oordeel van de rechtbank vormen de ontvangsten belastbaar inkomen. Dit brengt mee dat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan. De navorderingsaanslagen zijn naar het oordeel van de rechtbank opgelegd op basis van een redelijke schatting. Belanghebbende heeft niet doen blijken dat de schatting te hoog is. De rechtbank oordeelt dat de navorderingsaanslagen terecht en niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd. Ook de vergrijpboeten zijn naar het oordeel van de rechtbank terecht opgelegd.

Uitspraak

Lees de hele uitspraak met een gratis account

Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.