Naar hoofdinhoud

Artikel 6

Artikel 6

Onderdeel van Besluit vaststelling wachtgeldregeling militairen Koninklijke landmacht beneden de rang officier· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 1957

1. Voor de toepassing van dit besluit wordt onder laatstelijk genoten bezoldiging verstaan de bezoldiging welke op de dag voor het ontslag in de verlaten betrekking bij plaatsing in Nederland werd genoten of zou genoten zijn, vermeerderd met de tijdelijke kindertoelage, de tijdelijke kindertoeslag, de vakantieuitkering en eventuele in de pensioensgrondslag opgenomen inkomsten en baten. 2. Indien in de bezoldiging, de inkomsten en baten, in het voorgaande lid bedoeld, anders dan wegens periodieke verhogingen wijziging zou zijn gekomen, wanneer de belanghebbende op die bezoldiging in dienst was gebleven, geldt van de datum van inwerkingtreding van die wijziging het aldus gewijzigde bedrag als laatstelijk genoten bezoldiging. 3. Voorts wordt, indien ter zake van pensioen van de militairen eene bijdrage wordt gevorderd, bij de vaststelling van de laatstelijk genoten bezoldiging voor hen, die vóór 1 Juli 1925 op wachtgeld zijn gesteld, hierop tot 1 Januari 1930 een bedrag in mindering gebracht. Dit bedrag wordt naar denzelfden maatstaf berekend als voor de militairen op grond van artikel 15a van de Pensioenwet voor de landmacht (Staatsblad 1922, n°. 66) plaats vindt, echter met dien verstande, dat deze berekening geschiedt van de gezamenlijke inkomsten gedurende het laatste jaar werkelijken dienst genoten, voor zoover deze inkomsten bij de vaststelling van den pensioensgrondslag in aanmerking kwamen. 4. In afwijking van het gestelde in het eerste, tweede en derde lid wordt voor het wachtgeld, toegekend krachtens het derde lid van artikel 4 als laatstelijk genoten bezoldiging aangemerkt het bedrag van den pensioensgrondslag, waarnaar het daarbedoelde wachtgeld is berekend.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel