Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Artikel 5

Onderdeel van Besluit vaststelling wachtgeldregeling militaire personeel zeemacht· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 22 september 1935

1. Aan een militair, als bedoeld in artikel 2 onder a, wordt het genot van wachtgeld toegekend gedurende een tijdvak gelijk aan zijn diensttijd. 2. Aan een militair, als bedoeld in artikel 2 onder b, wordt het genot van wachtgeld toegekend gedurende 3 maanden, vermeerderd voor hem, die ten tijde van het ontslag kostwinner van een gezin was, met drie maanden, en voor de overigen met anderhalve maand voor elk jaar door hem volbrachten diensttijd. 3. Voor zooveel een militair ten tijde van het ontslag een werkelijken diensttijd van ten minste tien jaren heeft volbracht en het aantal jaren van dien diensttijd te zamen met het aantal jaren van den leeftijd, dien hij ten tijde van het ontslag heeft bereikt, 55 of meer bedraagt, wordt hem na afloop van de in het eerste en tweede lid bedoelde termijnen een verder genot van wachtgeld toegekend. 4. Het wachtgeld, bedoeld in het eerste lid, bedraagt: indien de militair ten tijde van het ontslag kostwinner is van een gezin, gedurende de eerste drie maanden de laatstelijk door hem genoten bezoldiging, gedurende de volgende drie maanden 85, gedurende de daarop volgende vijf jaren 70, gedurende de daaraan volgende vijf jaren 60, en vervolgens 50 ten honderd van de laatstelijk genoten bezoldiging; in de overige gevallen gedurende de onder a bedoelde termijnen onderscheidenlijk de laatstelijk genoten bezoldiging en 75, 60, 50 en 40 ten honderd daarvan; een en ander voor zoover de termijn, waarover het genot van wachtgeld is toegekend, niet reeds eerder is geëindigd. 5. Het wachtgeld, bedoeld in het tweede lid, bedraagt: indien de militair ten tijde van het ontslag kostwinner is van een gezin, gedurende de eerste drie maanden de laatstelijk genoten bezoldiging, gedurende de volgende drie maanden 85, gedurende de daaraan volgende 5 jaren 70 en vervolgens 60 ten honderd van die bezoldiging; in de overige gevallen onderscheidenlijk de laatstelijk genoten bezoldiging en 75, 60 en 50 ten honderd daarvan gedurende de onder a van dit lid bedoelde termijnen; een en ander voor zoover de termijn, waarover het wachtgeld is toegekend, niet reeds is verstreken. 6. Het wachtgeld, bedoeld in het vierde en in het vijfde lid, daalt niet beneden het bedrag van het uitgesteld pensioen, waarop de betrokkene ter zake van het hem verleende ontslag uitzicht heeft, of, indien uithoofde van eenigerlei omstandigheid zoodanig uitzicht niet of niet meer ten volle bestaat, anders zou hebben gehad. 7. Het wachtgeld, bedoeld in het derde lid, dat na afloop van de termijnen, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt genoten, is gelijk aan het bedrag van het uitgesteld pensioen, waarop de betrokkene ter zake van het hem verleende ontslag uitzicht heeft of, indien uithoofde van eenigerlei omstandigheid zoodanig uitzicht niet of niet meer ten volle bestaat, anders zou hebben gehad, met dien verstande, dat, indien het evenbedoelde bedrag minder bedraagt dan 40 ten honderd van de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in het eerste en tweede lid van artikel 4, het wachtgeld gedurende het eerste jaar op laatstvermeld bedrag wordt gesteld. 8. Wanneer het derde lid niet van toepassing is, kan in buitengewone gevallen het wachtgeld, na afloop van de in het eerste en tweede lid bedoelde termijnen, voor een bepaalden tijd worden voortgezet; dat wachtgeld bedraagt ten hoogste, naar gelang de betrokkene ten tijde van het ontslag al dan niet kostwinner was van een gezin, onderscheidenlijk 50 of 40 ten honderd van de laatstelijk genoten bezoldiging.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel