De termijn, welke tusschen den dag, waarop de dagvaarding aan den beschuldigde is beteekend en dien der zitting, waartoe hij is gedagvaard, moet verstrijken, bedraagt:
indien de beschuldigde in het Rijk in Europa een bekende woon- of verblijfplaats heeft, tenminste zeven dagen;
indien de beschuldigde in het Rijk in Europa geen bekende woon- of verblijfplaats noch een bijzonderen vertegenwoordiger heeft:
ingeval hij een bekende woonplaats heeft in België, Denemarken, Duitschland, Frankrijk, Groot-Brittannië en Ierland, Liechtenstein, Luxemburg, Monaco, Oostenrijk of Zwitserland, terminste één maand,
ingeval hij elders in Europa een bekende woonplaats heeft, tenminste twee maanden,
in alle andere gevallen tenminste drie maanden.
Titel IV
Artikel 49
Artikel 49
Onderdeel van Tribunaalbesluit· Staats- en bestuursrecht
Deze tekst geldt sinds 20 september 1944