Naar hoofdinhoud

hoofdstuk Tweede › § 4

Artikel 11

Artikel 11

Onderdeel van Wet buitengewoon pensioen 1940-1945· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 1978

Het buitengewoon pensioen wordt éénmaal met veertig procent van de pensioengrondslag vermeerderd, wanneer ten gevolge van de verwonding, verminking, ziekten of gebreken, in artikel 4 bedoeld: twee of meer ledematen (handen of voeten) zijn verloren gegaan of voorgoed geheel onbruikbaar zijn geworden, dan wel een toestand is ontstaan, welke met een zodanig verlies of een zodanige onbruikbaarheid is gelijk te stellen; het gezichtsvermogen voorgoed geheel verloren is gegaan of een toestand is ontstaan, welke met blindheid is gelijk te stellen; onherstelbare krankzinnigheid is ontstaan, of een toestand welke daarmee is gelijk te stellen; of een blijvend buitengewoon pensioen is verleend uit hoofde van een invaliditeit van 100 procent.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel