**1.** De weduwe van een vrijwillig dienend militair van land- of zeemacht, die - indien haar echtgenoot was overleden onder de werking van de Weduwenwetten voor de land- en zeemacht 1909 - aan een dier wetten aanspraak op pensioen had kunnen ontlenen;
de weduwe van een gewezen vrijwillig dienend militair van land- of zeemacht beneden de rang van officier, die - indien haar echtgenoot de dienst bij de land- of zeemacht had verlaten nà de inwerkingtreding van evengenoemde wetten - aan een dier wetten of aan de Militaire Weduwenwet 1922 aanspraak op pensioen had kunnen ontlenen;
de weduwe van een mindere geëmployeerde, werkman of bediende bij enige inrichting van 's Rijks land- of zeemacht, bedoeld in de wet van 18 Juli 1890 (Staatsblad no. 109), die - indien haar echtgenoot was overleden onder de werking van de Weduwenwet voor de Rijkswerklieden 1914 - aan die wet aanspraak op pensioen had kunnen ontlenen;
de weduwe van een gewezen mindere geëmployeerde, werkman of bediende bij enige inrichting, bedoeld onder c, die - indien haar echtgenoot als zodanig was ontslagen nà de inwerkingtreding van laatstgenoemde wet - aan deze wet of aan de Pensioenwet 1922 (Staatsblad no. 240) aanspraak op pensioen had kunnen ontlenen;
de weduwe van degene, aan wie
krachtens dit besluit een uitkering is of had kunnen worden toegekend;
krachtens dit besluit - ware hij niet voor 1 januari 1966 overleden - een uitkering had kunnen worden toegekend, mits het huwelijk was gesloten voor het tijdstip van ingang van zijn ontslag en voor zover zij niet valt onder a, b, c of d;
heeft, behoudens het bepaalde in artikel 7, recht op een uitkering.
**2.** Voor de toepassing van het bepaalde in het vorige lid, onder b, wordt een uitkering, bedoeld in artikel 1, aangemerkt als een pensioen.
§ 2
Artikel 4
Artikel 4
Onderdeel van Regeling uitkeringen niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht 1948, Stb. I 543· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 27 juli 1974