Tot het maken van ten laste van 's Rijks kas komende buitengewone, bij en krachtens deze wet niet voorziene kosten in de zaken in artikel 1 bedoeld wordt vereist een machtiging van de advocaat-generaal bij het ressortsparket en, in de zaken die bij de Hoge Raad dienen, van de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Zodanige machtiging is niet vereist in de gevallen van de artikelen 151, 192, 202, 212, 318, 398 juncto 318 en 415 juncto 318 van het Wetboek van Strafvordering.
Titel Eerste › § 1
Artikel 2
Artikel 2
Onderdeel van Wet tarieven in strafzaken· Procesrecht
Deze tekst geldt sinds 1 juli 2013