Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk II

Artikel 5

Artikel 5

Onderdeel van Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 16 maart 1994

1. De belasting bedraagt over een tijdvak van twaalf maanden: a. voor een motorrijtuig op twee wielen, met een eigen gewicht van niet meer dan 60 kilogram f 31 meer dan 60 doch niet meer dan 120 kilogram f 62 meer dan 120 doch niet meer dan 200 kilogram f 92 meer dan 20 kilogram f 109; b. voor een motorrijtuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, met een eigen gewicht van niet meer dan 200 kilogram f 93 meer dan 200 doch niet meer dan 500 kilogram f 112 600 kilogram f 137 700 kilogram f 164 800 kilogram f 222 900 kilogram f 285 1000 kilogram f 388 meer dan 100 kilogram f 388 benevens per 100 kilogram eigen gewicht boven 1000 kilogram f 103; c. voor een motorrijtuig op drie of meer wielen, ingericht voor personenvervoer en wel voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen f 26 benevens per 100 kilogram eigen gewicht boven 1000 kilogram f 10; d. voor een ander motorrijtuig met een eigen gewicht van 1°. niet meer dan 120 kilogram . f 4 meer dan 120 doch niet meer dan 200 kilogram f 14 meer dan 200 doch niet meer dan 500 kilogram f 32 meer dan 500 doch niet meer dan 1000 kilogram, per 100 kilogram eigen gewicht f 10 verminderd met f 18; 2°. meer dan 1000 doch niet meer dan 2000 kilogram f 82 benevens per 100 kilogram eigen gewicht boven 1000 kilogram f 10; 3°. meer dan 2000 doch niet meer dan 3000 kilogram f 182 benevens per 100 kilogram eigen gewicht boven 2000 kilogram f 10; 4°. meer dan 3000 doch niet meer dan 4000 kilogram f 282 benevens per 100 kilogram eigen gewicht boven 3000 kilogram f 10; 5°. meer dan 4000 doch niet meer dan 5000 kilogram f 382 benevens per 100 kilogram eigen gewicht boven 4000 kilogram f 10; 6°. meer dan 5000 doch niet meer dan 6000 kilogram f 482 benevens per 100 kilogram eigen gewicht boven 5000 kilogram f 10; 7°. meer dan 6000 f 582 benevens per 100 kilogram eigen gewicht boven 6000 kilogram f 10. 2. De belasting voor een motorrijtuig op drie of meer wielen, dat verbonden is met één of meer dan één rij- of voertuig, niet zijnde een motorrijtuig of een kampeeraanhangwagen, wordt voor elk van die rij- of voertuigen vermeerderd met de som van f 18 en het bedrag dat voor elk van die rij- of voertuigen zou zijn verschuldigd, indien dit als een motorrijtuig op drie of meer wielen werd aangemerkt, met dien verstande dat in geval van toepassing van het eerste lid, letter d, ten aanzien van een rij- of voertuig met een eigen gewicht van niet meer dan 500 kilogram, de vermeerdering f 10 per 100 kilogram bedraagt. 3. De belasting voor een motorrijtuig op drie of meer wielen dat is verbonden met een kampeeraanhangwagen wordt voor die kampeeraanhangwagen vermeerderd met f 47 per 100 kilogram eigen gewicht van de kampeeraanhangwagen. 4. Onder eigen gewicht wordt verstaan het gewicht van het rij- of voertuig in bedrijfsvaardige staat, met inbegrip van de bedrijfsstoffen, reservedelen en gereedschappen, welke tot de normale uitrusting behoren. Indien een motorrijtuig als bedoeld in het eerste lid, letter b, of een motorrijtuig als bedoeld in het eerste lid, letter d, met een toegestane maximum massa van 3500 kilogram of minder, is voorzien van een installatie voor het verplaatsen of vastzetten van een rolstoel, wordt onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, op verzoek het gewicht van die installatie niet meegerekend bij het vaststellen van het eigen gewicht van het motorrijtuig. 5. Voor de toepassing van het eerste lid wordt, behoudens waar een gewichtsgrens van 60 of 120 kilogram is genoemd, het eigen gewicht van het motorrijtuig afgerond tot het naaste honderdtal kilogrammen, met dien verstande dat 50 kilogram naar beneden wordt afgerond. 6. In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting nihil voor een motorrijtuig dat is ingericht en bestemd hoofdzakelijk te worden aangedreven door een elektromotor.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel