Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk III › Afdeling B

Artikel 21

Artikel 21

Onderdeel van Uitleveringswet· Procesrecht

Deze tekst geldt sinds 3 april 1967

1. De officier van justitie die het verzoek tot uitlevering heeft ontvangen, kan de aanhouding van de opgeëiste persoon bevelen. 2. De opgeëiste persoon wiens aanhouding overeenkomstig het vorige lid is bevolen, wordt binnen vierentwintig uren na zijn aanhouding voor de officier van justitie of, bij diens afwezigheid, voor een hulpofficier van justitie geleid. Na verhoor door een hulpofficier wordt de aangehouden persoon zo spoedig mogelijk alsnog voor de officier van justitie geleid. 3. Na de opgeëiste persoon te hebben gehoord, kan de officier van justitie bevelen dat deze in verzekering gesteld zal blijven tot het tijdstip waarop de rechtbank over zijn gevangenhouding beslist. 4. Het bevel tot inverzekeringstelling kan te allen tijde zowel door de rechtbank als door de officier van justitie, ambtshalve of op verzoek van de opgeëiste persoon of diens raadsman, worden opgeheven.

Rechtspraak bij dit artikel