**1.** De houder van een vergunning voor een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet vangt aan met de buitengebruikstelling en de ontmanteling van die inrichting onmiddellijk nadat de normale bedrijfsvoering is beëindigd.
**2.** De Autoriteit kan in bijzondere omstandigheden toestaan dat op een later tijdstip met de buitengebruikstelling en de ontmanteling van de inrichting wordt aangevangen.
**3.** De houder van een vergunning voor het buiten gebruik stellen en het ontmantelen van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet voltooit de buitengebruikstelling en de ontmanteling van die inrichting zo snel als redelijkerwijs mogelijk is.
Artikel XII van Stb. 2017/233 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Hoofdstuk IIIa › § 6
Artikel 30
Artikel 30
Onderdeel van Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen· Ruimtelijke ordening en milieu
Deze tekst geldt sinds 1 augustus 2017