Naar hoofdinhoud

afdeling Vierde › Hoofdstuk 18 › § 3

Artikel 116

Overlijdensuitkering

Onderdeel van Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 1 juli 2022

1. Zo spoedig mogelijk na het overlijden van een gepensioneerd minister of gepensioneerd kamerlid wordt aan diens partner, van wie hij niet duurzaam gescheiden leefde, een uitkering toegekend ten bedrage van het pensioen van die minister of dat kamerlid over een tijdvak van twee maanden. Bij ontstentenis van een partner van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, geschiedt de uitkering ten behoeve van wezen die aan het overlijden van de gepensioneerde op grond van deze wet recht op wezenpensioen ontlenen. 2. Indien de overleden gepensioneerde geen betrekkingen als bedoeld in het vorige lid nalaat, kan het daarbedoelde bedrag door Onze Minister geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is. 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder pensioen verstaan het bedrag waarop de overledene recht had, eventueel na toepassing van hoofdstuk 17.

Rechtspraak bij dit artikel