Een persoon die kamerlid is of kamerlid is geweest, heeft met overeenkomstige toepassing van hoofdstuk 4 en de artikelen 40a, 40b en 40c recht op ouderdomspensioen, met dien verstande dat:
voor «dienstjaar» gelezen wordt «kamerlidjaar»; en
voor «hoofdstuk 3»gelezen wordt «hoofdstuk 10».
afdeling Derde › Hoofdstuk 11
Artikel 58
Het recht op ouderdomspensioen
Onderdeel van Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 11 december 2024