Naar hoofdinhoud
1. Onze betrokken Minister kan, na ingewonnen advies van het beheerslichaam, ten behoeve van de uitvoering van een omgevingsplan op verzoek van het gemeentebestuur of ten behoeve van de uitvoering van een werk van algemeen belang op verzoek van het openbaar lichaam dat het werk wenst uit te voeren dan wel ten behoeve van een door het Rijk uit te voeren werk, houders van buisleidingen, die vóór het in werking treden van deze wet zijn aangelegd krachtens overeenstemming met de rechthebbenden of krachtens een beslissing als bedoeld in artikel 10.21, eerste lid, van de Omgevingswet, behoudens hun recht op schadevergoeding, de verplichting opleggen hun buisleiding te verleggen naar de in artikel 1 bedoelde buisleidingenstraat. 2. De verplichting tot schadevergoeding rust op het openbaar lichaam, waarvan het bestuur het verzoek als bedoeld in het eerste lid heeft gedaan of op het Rijk, indien de verplichting tot verlegging is opgelegd ten behoeve van een door het Rijk uit te voeren werk.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel