**1.** Het is verboden zich door afgifte aan een ander van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen te ontdoen.
**2.** Het verbod geldt niet indien bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen worden afgegeven aan een persoon:
die krachtens artikel 10.45 of 10.48 bevoegd is de betrokken afvalstoffen in te zamelen;
die bevoegd is de betrokken afvalstoffen nuttig toe te passen of te verwijderen:
krachtens hoofdstuk 8 van deze wet of artikel 4.3 van de Omgevingswet of op grond van een omgevingsvergunning;
op grond van een krachtens artikel 10.2, tweede lid, verleende vrijstelling of een ontheffing krachtens artikel 10.63, eerste of tweede lid, van het verbod, bedoeld in artikel 10.2, eerste lid;
krachtens artikel 10.52;
op grond van een krachtens artikel 10.54, derde lid, verleende vrijstelling of een ontheffing krachtens artikel 10.63, tweede lid, van het verbod, bedoeld in artikel 10.54, eerste lid;
die krachtens artikel 10.50 is vrijgesteld van de verplichtingen, gesteld bij of krachtens de artikelen 10.38 tot en met 10.40, 10.45, 10.46 en 10.48;
die op grond van een omgevingsvergunning bevoegd is afvalstoffen aan boord van een vaartuig of luchtvaartuig te nemen met het oogmerk ze te lozen;
die in een ander land dan Nederland is gevestigd, en die overeenkomstig de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen en titel 10.7 die afvalstoffen naar dat land brengt;
die krachtens artikel 10.55 bevoegd is de betrokken afvalstoffen te vervoeren of te verhandelen.
Artikel 4.22 van Stb. 2020/172 bevat overgangsrecht m.b.t. deze wijziging.
Hoofdstuk 10 › Titel 10.6 › § 10.6.1
Artikel 10.37
Artikel 10.37
Onderdeel van Wet milieubeheer· Ruimtelijke ordening en milieu
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2024