**1.** Overeenkomsten tot vervreemding van land, dat is aangewezen op grond van het derde lid, worden niet ingeschreven in de in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde openbare registers, dan nadat het bureau in de gelegenheid is gesteld een zodanige overeenkomst te sluiten.
**2.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voor een daarbij te bepalen tijdvak gebieden worden aangewezen, waarbinnen land als bedoeld in het eerste lid is gelegen. De maatregel bevat overwegingen omtrent de door het vestigen van een voorkeursrecht in zodanig gebied na te streven doeleinden. Als zodanige gebieden kunnen geheel of gedeeltelijk worden aangewezen:
landinrichtingsgebieden, vanaf het moment dat overeenkomstig artikel 16.33f, eerste lid, van de Omgevingswet een ontwerp voor een inrichtingsbesluit ter inzage wordt gelegd;
gebieden welke als reservaat zijn aangewezen;
het gebied Midden-Delfland, zoals dit is vastgesteld op grond van de Reconstructiewet Midden-Delfland (Stb. 1977, 233);
het gebied Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën, zoals dit is vastgesteld op grond van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën (Stb. 1977, 694);
gebieden, die bij een nationale omgevingsvisie als bedoeld in artikel 3.1, derde lid, van de Omgevingswet of programma van Onze Minister die het aangaat als bedoeld in artikel 3.4 van die wet na inwerkingtreding van deze wet zijn aangemerkt als gebieden, die als voorkeursgebied kunnen worden aangewezen;
reconstructiegebieden als bedoeld in artikel 1 van de Reconstructiewet concentratiegebieden, vanaf het moment dat overeenkomstig artikel 15, tweede lid, van die wet het ontwerp van het reconstructieplan ter inzage wordt gelegd.
**3.** Binnen de op grond van het tweede lid bepaalde gebieden wijzen Wij de gronden aan, waarop het eerste lid van toepassing is.
**4.** De aanwijzing als bedoeld in het derde lid kan geen gronden omvatten waarop ingevolge artikel 9.1, eerste of tweede lid, van de Omgevingswetafdeling 9.2 van die wet van toepassing is.
**5.** Het voorkeursrecht van het bureau op gronden die begrepen zijn in een aanwijzing als bedoeld in het derde lid vervalt, indien na de totstandkoming van Ons besluit op die gronden waarop ingevolge artikel 9.1, eerste of tweede lid, van de Omgevingswetafdeling 9.2 van die wet van toepassing is.
**6.** Een aanwijzing als bedoeld in het derde lid vervalt op het tijdstip waarop met betrekking tot een gebied, als bedoeld in het tweede lid, onder a, c of d, het plan van toedeling ter inzage is neergelegd overeenkomstig artikel 199, eerste lid, van de Landinrichtingswet, onderscheidenlijk artikel 79, tweede lid, van de Reconstructiewet Midden-Delfland, onderscheidenlijk artikel 83, tweede lid, van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën. De aanwijzing vervalt eveneens één week na het tijdstip waarop niet tot herinrichting, ruilverkaveling dan wel aanpassingsinrichting is besloten.
**7.** Een aanwijzing als bedoeld in het derde lid vervalt op het tijdstip waarop met betrekking tot een gebied, als bedoeld in het tweede lid, onder f, het ruilplan ter inzage is gelegd overeenkomstig artikel 75, eerste lid, van de Reconstructiewet concentratiegebieden.
Titel VIII
Artikel 37
Artikel 37
Onderdeel van Wet agrarisch grondverkeer· Agrarisch recht
Deze tekst geldt sinds 4 juni 2026