Een snelle motorboot mag slechts deelnemen aan de scheepvaart indien:
de inrichting van het schip en van de motor zodanig is, dat gevaar voor brand of ontploffing en hinder voor de omgeving door rook, damp of walm wordt voorkomen;
de afgewerkte gassen door een behoorlijk geluiddempende voorziening worden afgevoerd;
de stuurinrichting deugdelijk en doelmatig is;
het schip is voorzien van een technische inrichting waardoor bij het onderbreken van de besturing de middelen tot voortbeweging onmiddellijk tot stilstand of nagenoeg tot stilstand komen; deze eis geldt niet voor een gesloten binnenbesturing;
een reddingsvest onder handbereik voor ieder der opvarenden aan boord is;
een deugdelijk brandblusapparaat aan boord is.
Deel I › Hoofdstuk 8
Artikel 8.03
Inrichting
Onderdeel van Binnenvaartpolitiereglement· Vervoersrecht
Deze tekst geldt sinds 1 december 2004