Naar hoofdinhoud

hoofdstuk Achtste

Artikel 37

Artikel 37

Onderdeel van Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2011

1. De buitengewone pensioenen en de garantietoeslagen worden maandelijks voldaan. 2. De eerste termijn wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen dertien weken na de toekenning, vastgesteld en betaald. 3. Indien de door belanghebbende verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor het vaststellen van het bedrag van de eerste termijn, verzoekt de Sociale verzekeringsbank de belanghebbende deze gegevens en bescheiden alsnog te verstrekken. De periode van dertien weken, bedoeld in het tweede lid, wordt in zodanig geval opgeschort met ingang van de dag waarop de Sociale verzekeringsbank vorenbedoeld verzoek heeft gedaan tot de dag waarop de gegevens en bescheiden zijn verstrekt. 4. De termijnen van een buitengewoon pensioen en van een garantietoeslag, welke niet zijn ingevorderd binnen een jaar na de eerste maand, waarin de uitkering daarvan had mogen plaats hebben, worden niet meer uitbetaald, tenzij de belanghebbende ten genoegen van de Sociale verzekeringsbank kan aantonen, dat het overschrijden van die termijn het gevolg is geweest van omstandigheden, van zijn wil onafhankelijk. 5. Het betaalbaar stellen van een buitengewoon pensioen en van een garantietoeslag door de Sociale verzekeringsbank geschiedt op dezelfde voet als het betaalbaar stellen van de pensioenen ten laste van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds.

Rechtspraak bij dit artikel