In dit besluit wordt verstaan onder:
Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen;
de wet: de Wet op de erkende onderwijsinstellingen;
instelling: een instelling, als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de wet;
bevoegd gezag: het bevoegd gezag, als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de wet;
de inspectie: de inspectie bedoeld in artikel 22 van de wet, voor zover belast met taken op het gebied van het onderwijs waarop de wet van toepassing is;
gecommitteerde: een gecommitteerde in de zin van artikel 13, eerste lid, van de wet, belast met het toezicht op het examen of een deel daarvan;
schriftelijk onderwijs: het schriftelijk onderwijs, bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de wet;
auteur: een auteur als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de wet;
docent: een docent als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de wet;
cursus: een cursus als bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van de wet;
deelexamen: een deelexamen als bedoeld in artikel 1, onderdeel i, van de wet;
kandidaat: degene die in staat wordt gesteld examen dan wel een of meer deelexamens af te leggen.
Hoofdstuk I
Artikel 1
Begripsbepalingen
Onderdeel van Besluit op de erkende onderwijsinstellingen· Onderwijsrecht
Deze tekst geldt sinds 1 oktober 1986