De aanwijzing in artikel 2, eerste lid, betreft niet:
landschapselementen die, gezien de toestand waarin zij verkeren, naar het oordeel van de minister uit een oogpunt van natuur- en landschapsbescherming niet van voldoende betekenis zijn;
beplantingen die naar het oordeel van de minister niet of nauwelijks medebepalend zijn voor het streekeigen karakter van de in artikel 2, eerste lid, genoemde gebieden;
beplantingen waarvoor op grond van de Beschikking vrijstelling meldings- en herplantplicht (Stcrt. 1982, 195) vrijstelling is verkregen van de verplichting tot herbeplanting.
Artikel 3
Artikel 3
Onderdeel van Regeling aanwijzing landschapselementen 1986· Ruimtelijke ordening en milieu
Deze tekst geldt sinds 11 september 1987