1. 1. Toepassing van de artikelen 4, 10, vierde lid, 11 en 12 kan, behoudens het bepaalde in het tweede lid, slechts geschieden in het belang van:
    • - a. het verzekeren van de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer;
    • - b. het instandhouden van scheepvaartwegen en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;
    • - c. het voorkomen of beperken van schade door het scheepvaartverkeer aan de waterhuishouding, oevers en waterkeringen, of werken gelegen in of over scheepvaartwegen;
    • - d. het voorkomen of beperken van externe veiligheidsrisico’s in verband met schepen;
    • - e. het voorkomen of beperken van verontreiniging door schepen.
  2. 2. Toepassing van artikel 4 ten behoeve van een in het eerste lid genoemd belang kan mede geschieden in het belang van het voorkomen of beperken van:
    • - a. hinder of gevaar door het scheepvaartverkeer voor personen die zich anders dan op een schip te water bevinden;
    • - b. schade door het scheepvaartverkeer aan de landschappelijke of natuurwetenschappelijke waarden van een gebied waarin scheepvaartwegen zijn gelegen.