Een niet-ingezetene die tijdelijk in Nederland verblijft en in overeenstemming met de Recommandatie T/R 61–01 van CEPT gemachtigd is tot het aanwezig hebben en gebruiken van een zendinrichting bestemd voor het doen van onderzoekingen is vrijgesteld van het vereiste van een machtiging voor de aanleg, de aanwezigheid en het gebruik van deze inrichting voor zover wordt voldaan aan het bepaalde in de artikelen 4 en 5.
Treedt in werking op het tijdstip waarop Wet op de telecommunicatievoorzieningen in werking treedt.
Hoofdstuk II
Artikel 3
Artikel 3
Onderdeel van Regeling vrijstelling machtiging zendinrichtingen niet-ingezetenen· Informatierecht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 1989