Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4 › § 4

Artikel 133

Brandbeveiliging

Onderdeel van Vissersvaartuigenbesluit· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 30 december 1997

1. Bijzondere aandacht moet worden gegeven aan de afscherming van hogedruk brandstofleidingen. Waar praktisch uitvoerbaar, moeten lekkages van deze leidingsystemen in een doelmatige afvoertank worden opgevangen, die moet zijn voorzien van een hoog niveau alarm. 2. Wanneer brandstofdagtanks automatisch of door middel van afstandbediening worden gevuld, moet een inrichting zijn aangebracht teneinde overlopen te voorkomen. Deze bepaling is eveneens van toepassing op andere inrichtingen voor de automatische behandeling van brandbare vloeistoffen. Brandstofcentrifuges moeten zo mogelijk zijn geïnstalleerd in een speciale ruimte voor centrifuges, filters en hun voorwarmers. 3. Wanneer brandstofdagtanks of bezinktanks zijn voorzien van een verwarmingsinrichting, moet, indien het vlampunt van de brandstofolie kan worden overschreden, een hoog-temperatuur-alarm zijn aangebracht. 4. In ruimten voor machines moet een automatische brandalarmen brandontdekkingsinstallatie van een goedgekeurd type zijn aangebracht, die voldoet aan het bepaalde in artikel 176, tweede lid. Ten aanzien van vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat deze installatie niet wordt aangebracht, mits de ruimte voor machines zodanig is gelegen, dat een hierin optredende brand door de aan boord aanwezige personen gemakkelijk kan worden opgemerkt. 5. Inwendige verbrandingsmotoren met een vermogen van 2250 kW of meer of met een cilinder diameter groter dan 300 mm, moeten zijn voorzien van oliemistdetectie in de krukkasten of van temperatuurmeting aan de lagers, of van gelijkwaardige voorzieningen. 6. Ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie moet een vast aangebrachte brandblusinstallatie aanwezig zijn die voldoet aan het bepaalde in de artikelen 159, eerste lid of 182, eerste lid, al naar gelang van toepassing. 7. Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 75 m of meer bedraagt, moeten voorzieningen zijn getroffen voor een onmiddellijke waterlevering uit de hoofdbrandblusleiding, hetzij door middel van afstandbediening van één van de hoofdbrandbluspompen vanaf de brug en vanuit het eventuele brandcontrolestation, hetzij door middel van het voortdurend onder druk houden van de hoofdbrandblusleiding in welk laatste geval voorzieningen dienen te worden getroffen teneinde beschadiging van de hoofdbrandblusleiding door bevriezing te voorkomen. 8. De brandveiligheid van ruimten voor machines, van de plaats waar de bedieningsapparatuur van de brandblusinstallatie is samengebracht en van het veiligheidssysteem als bedoeld in artikel 138, moet ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn. Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 5 kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie daartoe aanvullende brandblustoestellen, brandbestrijdingsmiddelen alsmede persluchttoestellen voorschrijven.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel