Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7 › § 4

Artikel 229

Voor het visserijbedrijf bestemde voorzieningen

Onderdeel van Vissersvaartuigenbesluit· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 30 december 1997

1. Aan boord van een vaartuig moeten de voor het visserijbedrijf bestemde inrichtingen en vaste toestellen zodanig zijn geconstrueerd en opgesteld, dat zij geen gevaar opleveren voor de veiligheid van het vaartuig en de gebruikers. 2. De masten en gieken, het staand en lopend tuig, alsmede het laad- en losgerei aan boord van een vaartuig moeten voldoende sterk zijn en in goede staat verkeren. 3. De bij het in het tweede lid bedoelde tuig behorende blokken moeten voldoende sterk zijn en zodanig zijn uitgevoerd en aangebracht, dat zij geen gevaar opleveren voor de veiligheid der gebruikers. 4. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels stellen ter uitvoering van het bepaalde in de voorgaande leden.

Rechtspraak bij dit artikel