Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 8 › § 1

Artikel 240

Alarmrol en instructies voor noodgevallen

Onderdeel van Vissersvaartuigenbesluit· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 30 december 1997

1. Aan boord van een vaartuig dienen voor elke opvarende duidelijke instructies aanwezig te zijn, die in geval van nood gevolgd moeten worden. 2. Op in het oog vallende plaatsen aan boord van het vaartuig, met inbegrip van de brug, de machinekamer en de bemanningsverblijven, moeten exemplaren van de alarmrol zijn opgehangen, die voldoen aan het bepaalde in de navolgende leden. 3. De alarmrol moet bijzonderheden bevatten inzake het algemeen alarmsignaal, voorgeschreven in artikel 239, derde lid, en moet tevens de maatregelen aangeven die door de bemanning genomen moeten worden wanneer dit signaal gegeven wordt. Op de alarmrol moet ook aangegeven worden hoe het sein «schip verlaten» wordt gegeven. 4. Op de alarmrol moeten de taken worden vermeld die aan de verschillende bemanningsleden worden opgedragen, waaronder: het sluiten van de waterdichte deuren, brandwerende deuren, afsluiters, stortkokers, spuigaten, zijpoorten, schijnlichten, patrijspoorten en overige soortgelijke openingen in het vaartuig; het uitrusten van groeps- en overige reddingmiddelen, daarbij inbegrepen het draagbaar radiotoestel, bedoeld in artikel 197, eerste lid; het gereed maken en te water laten van groepsreddingmiddelen; het gereed maken van andere reddingmiddelen in het algemeen; het gebruik van communicatiemiddelen; het bemannen van de brandweerploegen die aangewezen zijn om branden te bestrijden; en bijzondere taken, opgedragen in verband met het gebruik van de brandbestrijdingsuitrusting en -installaties, met inachtneming van de instructies in de brandbeveiligingsplannen of -boekjes van het vaartuig. 5. Voor een vaartuig waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie afwijking van het bepaalde in het voorgaande lid toestaan, indien hij van oordeel is dat in verband met het kleine aantal bemanningsleden een alarmrol niet noodzakelijk is. 6. Op de alarmrol moet aangegeven zijn welke officieren aangewezen zijn om er voor te zorgen dat de redding- en brandbestrijdingsmiddelen in goede staat en klaar voor onmiddellijk gebruik worden gehouden. 7. Op de alarmrol moeten plaatsvervangers aangegeven zijn voor de belangrijkste personen, indien deze niet tot handelen in staat zouden zijn, rekening houdende met het gegeven dat verschillende noodsituaties verschillende maatregelen noodzakelijk maken. 8. De alarmrol moet zijn opgemaakt voordat het vaartuig een reis onderneemt. Nadat de alarmrol eenmaal is opgemaakt, moet, wanneer een verandering in de samenstelling van de bemanning wijziging van de alarmrol noodzakelijk maakt, de rol worden herzien of een nieuwe rol worden opgemaakt. 9. Het model van de alarmrol moet zijn ingericht overeenkomstig het model, vastgesteld door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel