**1.** In ieder bemanningsverblijf of in iedere hut voor bemanningsleden moet een handboek voor opleiding voorhanden zijn. Dit handboek, dat uit verschillende banden kan bestaan, dient instructies en informatie te bevatten, gesteld in gemakkelijk te begrijpen bewoordingen en waar mogelijk geïllustreerd, ten aanzien van de aan boord geplaatste reddingmiddelen en de beste overlevingsmethoden. In plaats van in dit handboek kan de informatie of enig deel daarvan ook met behulp van audio-visuele middelen worden verstrekt. De volgende punten dienen uitvoerig te worden toegelicht:
het aandoen van reddinggordels en overlevingspakken;
het verzamelen op de daarvoor aangewezen plaatsen;
het inschepen in, het te water laten en het vrijkomen van de groepsreddingmiddelen en de hulpverleningsboten;
de manier waarop het groepsreddingmiddel vanuit dat middel te water wordt gelaten;
het ontkoppelen van de tewaterlatingsmiddelen;
de werkwijze en het gebruik van de middelen voor bescherming op de tewaterlatingsplaatsen, voor zover van toepassing;
de verlichting van de tewaterlatingsplaatsen;
het gebruik van alle overlevingsuitrusting;
het gebruik van alle ontdekkingsmiddelen;
met behulp van illustraties, het gebruik van radio-apparatuur voor reddingmiddelen;
het gebruik van drijfankers;
het gebruik van motor en accessoires;
het terughijsen van de groepsreddingmiddelen en hulpverleningsboten, plaatsen en sjorren daarbij inbegrepen;
de gevaren van blootstelling aan weer en zee en de noodzaak van warme kleding;
het op de beste wijze gebruiken van de voorzieningen van de groepsreddingmiddelen ten behoeve van overleving;
de manier van redding van drenkelingen uit zee, waarbij inbegrepen het gebruik van helicopterreddinguitrusting (stroppen, manden, draagbaren), reddingboeien met broeking, overige reddingapparatuur gebruikt vanaf de wal en het lijnwerptoestel van het vaartuig;
alle andere activiteiten die de alarmrol en de instructies voor noodgevallen aangeven; en
aanwijzingen voor noodreparaties van de reddingmiddelen.
**2.** Opleiding aan boord in het gebruik van de reddingmiddelen, met inbegrip van de uitrusting van de groepsreddingmiddelen, moet zo snel mogelijk worden gegeven, echter uiterlijk 2 weken nadat een bemanningslid aan boord is gekomen. Wanneer echter het bemanningslid op een regelmatig aflosschema aan boord is geplaatst, moet deze opleiding worden gegeven binnen 2 weken nadat hij voor het eerst aan boord is gekomen.
**3.** Met dezelfde tussenpozen als de oefeningen «schip verlaten» en de oefeningen in het blussen van brand moet instructie in het gebruik van de reddingmiddelen en het overleven op zee worden gegeven. Individuele instructie kan verschillende onderdelen van het reddingsysteem omvatten, maar alle reddinguitrusting en -middelen moeten binnen een tijdsbestek van 2 maanden zijn behandeld. Ieder bemanningslid moet ten minste instructie krijgen betreffende:
de behandeling en het gebruik van de automatisch opblaasbare reddingvlotten van het vaartuig;
de problemen in verband met onderkoeling, eerste hulp bij onderkoeling en andere van belang zijnde eerste hulp maatregelen; en
het gebruik van de reddingmiddelen bij zwaar weer en hoge zeeën.
**4.** Wanneer een vaartuig is uitgerust met reddingvlotten van het strijkbare type, moet, met tussenpozen van niet meer dan 4 maanden, opleiding in het gebruik van zulke reddingvlotten worden gegeven. Deze opleiding moet omvatten de behandeling van een tewaterlatingsmiddel en een reddingvlot, alsmede het afvieren en het tewaterlaten van het reddingvlot. Ten minste eenmaal in de 12 maanden dient dit afvieren en tewaterlaten te geschieden met de aangewezen bemanning ingescheept in het reddingvlot. Indien het vaartuig is uitgerust met automatisch opblaasbare reddingvlotten van het strijkbare type, moet het opblazen en het tewaterlaten geschieden voor zover dat praktisch uitvoerbaar is, en in ieder geval eenmaal in de 12 maanden. Het voor de opleiding gebruikte automatisch opblaasbare reddingvlot kan hetzij een van de voorgeschreven reddingvlotten zijn, hetzij een speciaal oefenvlot dat geen deel uitmaakt van de reddingmiddelen van het vaartuig en dat duidelijk als zodanig gemerkt moet zijn. Zulk een oefenvlot moet periodiek worden gekeurd overeenkomstig het bepaalde in artikel 209, achtste lid, onder 1.
**5.** Aan boord van elk vaartuig, met uitzondering van een vaartuig dat gesleept naar zijn bestemming wordt gebracht, moet het Handboek Opsporing en Redding op Zee (MERSAR), alsmede een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie vastgestelde lijst van reddingseinen aanwezig zijn. Dit handboek en deze lijst moeten steeds op de brug bij de hand zijn.
Hoofdstuk 8 › § 1
Artikel 242
Opleiding en instructie voor het optreden in noodsituaties
Onderdeel van Vissersvaartuigenbesluit· Vervoersrecht
Deze tekst geldt sinds 30 december 1997