Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 9 › § 3

Artikel 260

Richtingzoekers

Onderdeel van Vissersvaartuigenbesluit· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 30 december 1997

1. De ingevolge artikel 283, eerste lid, vereiste richtingzoeker moet doeltreffend zijn en geschikt om seinen te ontvangen met een minimum ontvangerruis, zomede om peilingen te nemen waaruit de juiste richting en de ware peiling kunnen worden afgeleid. 2. Het toestel moet seinen kunnen ontvangen op de radiotelegrafiefrequenties die in het Radioreglement zijn aangewezen voor noodgevallen, voor het nemen van peilingen en voor de maritieme radiobakens. 3. De richtingzoeker moet een gevoeligheid hebben, voldoende om bij afwezigheid van storing nauwkeurige peilingen te nemen, zelfs indien de veldsterkte van de ontvangen tekens slechts 50 microvolt per meter bedraagt. 4. De richtingzoeker moet, voorzover zulks praktisch uitvoerbaar is, zo zijn opgesteld, dat het op doeltreffende wijze nemen van peilingen zo min mogelijk wordt gestoord door mechanisch of ander lawaai. 5. Het richtingzoekerantennesysteem moet, voorzover zulks praktisch uitvoerbaar is, zo zijn opgesteld, dat de nabijheid van andere antennes, tuig, laadbomen en andere grote metalen voorwerpen zo min mogelijk invloed heeft op de juiste uitkomst van de peilingen. 6. Tussen de richtingzoeker en de brug moet een doeltreffend tweezijdig systeem voor oproep en mondeling contact aanwezig zijn. 7. De richtingzoeker moet vrij zijn van mechanische en elektrische storingen die de goede werking beïnvloeden. 8. Het peilraam moet, voorzover zulks praktisch uitvoerbaar is, zo dicht mogelijk bij het vlak van kiel en stevens zijn opgesteld. 9. Ter voorkoming van peilfouten dient te worden vermeden dat geleiders aan dek zodanig worden gespannen of met elkaar worden verbonden dat hierdoor grote elektrisch gesloten kringen ontstaan. 10. Radio-apparatuur bestemd voor het peilen recht vooruit («homing») op de radiotelefonienoodfrequentie moet geschikt zijn voor het nemen van radiopeilingen op deze frequentie binnen een hoek van 30 graden aan elke zijde van de boeg zonder dat twijfel ten aanzien van de richtingszin bestaat. 10. Bij de installatie en beproeving van de in dit lid bedoelde apparatuur dient goed rekening te worden gehouden met de desbetreffende aanbeveling van de Internationale Raadgevende Commissie inzake Radioaangelegenheden (CCIR). 10. Alle redelijke maatregelen moeten worden genomen om de in dit lid vereiste geschiktheid voor het peilen recht vooruit te verzekeren. In een geval waar wegens technische moeilijkheden de geschiktheid voor het peilen recht vooruit niet kan worden verwezenlijkt, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie vrijstelling verlenen van de in dit lid gestelde eisen. 11. De richtingzoeker moet bij eerste opstelling aan boord door een bevoegd persoon worden gecalibreerd onder afgifte van een grafiek, aangevende de correctie die op de afgelezen peiling moet worden toegepast om de ware peiling ten opzichte van de kiellijn te verkrijgen. 12. Telkens wanneer in de positie van enige antenne, dan wel van enige constructie aan dek, veranderingen zijn aangebracht die de gevonden fouten van de richtingzoeker merkbaar zouden kunnen beïnvloeden, dienen deze fouten te worden geverifieerd door middel van controlepeilingen. 13. Telkens wanneer een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie dit nodig oordeelt en in ieder geval éénmaal per jaar dienen de fouten van de richtingzoeker door een bevoegd persoon te worden geverifieerd, tenzij uit aantekeningen van de kapitein blijkt dat deze fouten door waarnemingen op zee geregeld worden geverifieerd en zij binnen redelijke grenzen blijven. Van de calibraties en van alle controles op de nauwkeurigheid daarvan moet aantekening worden gehouden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel