Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › § 1

Artikel 39

Voorzieningen voor peilen

Onderdeel van Vissersvaartuigenbesluit· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 30 december 1997

1. Op dubbele bodem- of andere tanks alsmede op de vullingen van alle ruimten die niet te allen tijde toegankelijk zijn, moeten voorzieningen voor peilen zijn aangebracht. 2. Als voorzieningen voor peilen worden aangemerkt: peilinrichtingen welke al dan niet zijn ingericht voor aflezing op afstand; inrichtingen welke door alarmering aangeven dat het vloeistofniveau in een ruimte een bepaalde, vooraf ingestelde waarde overschrijdt; peilpijpen; en peilglazen. 3. De voorziening voor peilen van brandstoftanks, smeerolietanks, drinkwatertanks en andere tanks voor verbruiksvloeistoffen, alsmede van waterballasttanks, dient te bestaan uit een peilinrichting ingericht voor aflezing op afstand, als bedoeld in het tweede lid, onder 1. 4. In afwijking van het bepaalde in het derde lid kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat kleine, in de machinekamer dan wel in andere, vanuit de machinekamer bereikbare ruimten gelegen verbruikstanks alsmede kleine buffertanks behorend bij werktuigen, zijn voorzien van peilpijpen of peilglazen. Indien zulke tanks brandbare vloeistoffen bevatten, moet tevens worden voldaan aan het bepaalde in artikel 83, derde, elfde en twaalfde lid. 5. In afwijking van het gestelde in het derde lid kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie voorts toestaan dat op vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt de in dat artikel genoemde tanks zijn voorzien van peilpijpen. Indien zulke tanks brandbare vloeistoffen bevatten, moet tevens worden voldaan aan het bepaalde in artikel 83, derde, elfde en twaalfde lid. 6. De voorziening voor peilen op de vullingen van ruimten die niet te allen tijde toegankelijk zijn, waaronder begrepen laadruimten, dient te bestaan uit een peilinrichting ingericht voor aflezing op afstand, als bedoeld in het tweede lid, onder 1, dan wel uit een alarminrichting als bedoeld in het tweede lid, onder 2. 7. Peilinrichtingen, bedoeld in het tweede lid, onder 1, alsmede inrichtingen, bedoeld in het tweede lid onder 2, moeten van een goedgekeurd type zijn. 8. Peilinrichtingen, bedoeld in het tweede lid, onder 1, moeten zijn voorzien van een ingebouwde mogelijkheid tot calibratie. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan afzien van een mogelijkheid tot calibratie, indien de betreffende ruimte of ruimten tevens zijn voorzien van een peilpijp en de bestemming van deze ruimte of ruimten zodanig is dat peilen door middel van deze peilpijp geen bezwaar voor de veiligheid oplevert. 9. Indien is toegestaan dat een ruimte is voorzien van een inrichting als bedoeld in het tweede lid onder 2, moet deze ruimte tevens zijn voorzien van een peilpijp. 10. Indien is toegestaan dat tanks of kofferdammen zijn voorzien van peilpijpen, moeten deze zoveel mogelijk boven het werkdek, op een steeds toegankelijke plaats uitkomen. Peilpijpen van brandstofolietanks moeten bovendien op een naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie veilige plaats uitkomen. Korte peilpijpen die onder het werkdek uitkomen, moeten zijn voorzien van zelfsluitende kranen; op brandstofolietanks moeten zij voldoen aan het ter zake bepaalde in artikel 83, derde lid. 11. Indien peilpijpen door laadruimten worden gevoerd, moeten zij aldaar en aan dek zodanig zijn beschermd of zo sterk zijn dat zij door verschuiven van lading niet kunnen worden beschadigd. 12. Onder peilpijpen moeten stootplaatjes zijn aangebracht. 13. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels geven voor de constructie en aanleg van peilinrichtingen, bedoeld in het tweede lid, onder 1, en van inrichtingen, bedoeld in het tweede lid onder 2. 14. Indien op drinkwatertanks peilpijpen zijn toegestaan, moeten deze ten minste 150 mm boven het dek reiken.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel