Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Het EESV en de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, alsmede de Wet op de inkomstenbelasting 1964

Onderdeel van Fiscale behandeling van Europese economische samenwerkingsverbanden (EESV)· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 1 maart 1990

Het EESV is niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen. Dit houdt bij voorbeeld in dat: een EESV geen deelnemingsvrijstelling in de zin van artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 kan genieten; van een EESV als zodanig geen stamrecht als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 kan worden bedongen. Het resultaat van de EESV wordt in het kader van de heffing naar de winst direct belast met inkomstenbelasting bij de leden-natuurlijke personen en met vennootschapsbelasting bij de leden-rechtspersonen. Nu het resultaat rechtstreeks bij hen moet worden belast en de werkzaamheden ondersteunend moeten zijn voor hun ondernemingsactiviteiten, dienen de leden van het EESV voor hun aandeel in het samenwerkingsverband de activa en passiva van het EESV tot hun ondernemingsvermogen te rekenen. Door deze ‘transparence fiscale’ worden bij voorbeeld de aandelen die het EESV houdt in een vennootschap toegerekend aan de leden. Indien vervolgens op het niveau van het aan de vennootschapsbelasting onderworpen lid wordt voldaan aan de criteria van artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, is de deelnemingsvrijstelling bij dat lid van toepassing. Ten slotte zij nog opgemerkt dat de onder punt d van het algemene deel van deze aanschrijving vermelde bepaling over de winstverdeling, de inspecteur niet belet de aangifte te corrigeren indien tussen verbonden ondernemingen niet zakelijk (‘at arm’s length’) is gehandeld. Voor de aanslagregeling over jaren waarin de Wet investeringsrekening nog geldt, kan het volgende worden opgemerkt. Het EESV kan geen aanspraak maken op investeringsbijdragen en is derhalve ook geen desinvesteringsbetaling verschuldigd. De transparence fiscale leidt via de toerekening van de activa en passiva ertoe dat het de achterliggende leden zijn die eventueel aanspraak kunnen maken op WIR-premie, dan wel de desinvesteringsbetaling verschuldigd zijn. Voor de investeringsaftrek die per 1 januari 1990 is ingevoerd, geldt in voorkomende gevallen mutatis mutandis hetzelfde. De niet in Nederland woonachtige of gevestigde leden van een EESV dat in Nederland werkzaam is, worden in Nederland in de belastingheffing betrokken indien en voor zover hun onderneming c.q. vrije beroep in Nederland wordt gedreven met behulp van een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, juncto artikel 17 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Het begrip vaste inrichting wordt beheerst door de nationale wetgeving en de door Nederland met de EG-Lid-Staten gesloten verdragen ter voorkoming van dubbele belasting, dan wel uitsluitend door de nationale wetgeving (Portugal). Onder deze belastingverdragen wordt, conform het OESO-modelverdrag, in uitzondering op de hoofdregel een vaste inrichting niet aanwezig geacht indien sprake is van activiteiten van voorbereidende aard of hulpwerkzaamheden ten dienste van één onderneming. Ook indien de activiteiten van het EESV zouden samenvallen met de aard van de activiteiten zoals hiervoor beschreven, dan nog kan die uitzonderingsbepaling bij het EESV geen toepassing vinden omdat de activiteiten van het EESV voor verschillende ondernemingen worden verricht. Volledigheidshalve merk ik nog op dat met betrekking tot niet in Nederland woonachtige leden natuurlijke personen die een vrij beroep uitoefenen, voor de toepassing van de bovengenoemde verdragen niet het vereiste van een vaste inrichting geldt, maar dat zij in Nederland in de belastingheffing kunnen worden betrokken, indien zij voor het verrichten van hun werkzaamheden in Nederland over een vast middelpunt beschikken en wel voor zover de opbrengsten aan dat vaste middelpunt kunnen worden toegekend. Omdat de hierboven genoemde uitzonderingsbepaling op het begrip vaste inrichting niet geldt voor het begrip vast middelpunt maar overigens de begrippen vast middelpunt en vaste inrichting inhoudelijk vrijwel aan elkaar gelijk zijn, zal de belastingheffing in Nederland over de winst van de leden die een vrij beroep uitoefenen en de leden-natuurlijke personen die een onderneming drijven in de praktijk op overeenkomstige wijze plaatsvinden. Indien de in Nederland woonachtige of gevestigde leden van het EESV dat buiten Nederland werkzaam is, in verband daarmee aldaar over een vaste inrichting (c.q. vast middelpunt) beschikken, wordt aan hen een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting toegekend volgens de in de verdragen opgenomen regels, of volgens de regels van het Besluit voorkoming dubbele belasting 1989 (Stb. 594) in niet verdragssituaties. Verdragen ter voorkoming van dubbele belasting zijn van toepassing op inwoners van één van de verdragsluitende Staten. Voor inwonerschap is doorgaans subjectieve belastingplicht op grond van woonplaats, plaats van leiding of enige andere omstandigheid vereist. Nu het EESV krachtens communautair recht voor zijn resultaten niet zelf in de belastingheffing wordt betrokken, kan het samenwerkingsverband niet als inwoner worden beschouwd voor de toepassing van deze verdragen. Niet alle verdragen hanteren dit inwonersbegrip. In sommige verdragen komen specifieke hiervan afwijkende bepalingen voor. Zo wordt in het belastingverdrag met de Verenigde Staten o.a. als inwoner aangemerkt een Nederlands lichaam, zijnde een vennootschap, al dan niet rechtspersoonlijkheid bezittend, opgericht in Nederland. In beginsel geldt dit ook voor het EESV. Dit betekent echter niet dat het EESV als zodanig zich zou kunnen beroepen op de in het verdrag neergelegde vrijstellingen of beperkingen van de belastingheffing van een van beide Staten. De toewijzingsbepalingen voor de vermindering van bronheffing spreken namelijk van (bepaalde) inkomsten die worden genoten door of betaald aan een inwoner van het andere land. Nu de betreffende inkomsten voor de belastingheffing in Nederland worden toegerekend aan de leden, voldoet het EESV niet aan de voorwaarden en kan het derhalve zelf geen aanspraak maken op toepassing van die bepalingen te zijnen aanzien. In het verdrag met Italië wordt voor de toepassing van dat verdrag aangesloten bij het begrip ‘persoon’ waar onder andere iedere rechtspersoon onder is te begrijpen. Het EESV, dat rechtspersoonlijkheid bezit, is dus aan te merken als een persoon in de zin van het verdrag van Italië. Echter voor de toepassing van de verdragsbepalingen inzake vermindering van bronheffing geldt ook onder dit verdrag dat de inkomsten moeten worden genoten door of betaald zijn aan een inwoner van het andere land, zodat ook hier het EESV zelf geen aanspraak kan maken op toepassing van die bepalingen te zijnen aanzien. In het verdrag met Zwitserland dient voor verdragstoepassing de woonplaats van een rechtspersoon bepaald te worden volgens de belastingwetgeving van elk van beide verdragsluitende Staten. Tevens bevat dit verdrag nog de bepaling dat een vermindering van bronheffing slechts kan worden verzocht indien onderworpenheid bestaat aan een directe belasting ter zake van het genieten van die inkomsten. Dit laatste gaat, zoals gezegd, niet op voor het EESV. Voor alle verdragen geldt derhalve dat het EESV als zodanig geen aanspraak kan maken op verlaging van bronheffing. In verband met de transparence fiscale zal voor de individuele leden moeten worden beoordeeld of zij op verdragstoepassing aanspraak kunnen maken.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel