**1.** De bestuurder mag zijn voertuig niet laten stilstaan:
op een kruispunt of een overweg;
op een fietsstrook of op de rijbaan langs een fietsstrook;
op een oversteekplaats of binnen een afstand van vijf meter daarvan;
in een tunnel;
bij een bord bushalte ter hoogte van de geblokte markering dan wel, ingeval die markering niet is aangebracht, op een afstand van minder dan 12 meter van het bord;
op de rijbaan langs een busstrook en
langs een gele doorgetrokken streep.
**2.** Onderdeel e van het eerste lid geldt niet voor het onmiddellijk laten in- en uitstappen van passagiers.