Naar hoofdinhoud

Artikel II

Artikel II

Onderdeel van Wijzigingswet Wet op de Geneesmiddelenvoorziening· Gezondheidsrecht en farmaceutisch recht

Deze tekst geldt sinds 3 september 1993

1. Een serum of vaccin dat bij de inwerkingtreding van deze wet reeds krachtens de Wet op sera en vaccins (Stb. 1927, 91) rechtmatig in de handel wordt gebracht, wordt geacht in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening te zijn ingeschreven, indien binnen drie maanden na dat in werking treden een aanvraag tot inschrijving is gedaan. In zodanig geval wordt het in artikel 3, tweede lid, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening bedoelde tijdvak gerekend vanaf het in werking treden van deze wet. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke gegevens bij de aanvraag tot inschrijving moeten worden overgelegd. 2. Een verzoek tot verlening van een bereidingsvergunning als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet op sera en vaccins, onderscheidenlijk tot verlening van een toestemming als bedoeld in artikel 8 van het Sera- en Vaccinsbesluit (Stb. 1934, 104), waarop bij de inwerkingtreding van deze wet nog niet door Onze Minister onderscheidenlijk de in laatstgenoemd artikel bedoelde commissie is beslist, geldt als een aanvraag tot inschrijving in het register, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening. 3. Aan degene, die bij de inwerkingtreding van deze wet ingevolge de Wet op sera en vaccins bevoegd is tot het bereiden onderscheidenlijk het invoeren van sera en vaccins wordt een vergunning geacht te zijn verleend als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening tot het bereiden van geneesmiddelen en het afleveren daarvan, onderscheidenlijk uitsluitend tot het afleveren van geneesmiddelen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel