Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6 › Paragraaf 2

Artikel 54

Uitkering ter zake van derving van inkomsten uit arbeid

Onderdeel van Reglement rechtstoestand tewerkgestelden· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 31 mei 1992

1. Hij die ingevolge het bij of krachtens de wet bepaalde in het genot is van groot verlof, dan wel ingevolge artikel 28 van de wet van zijn verplichtingen uit de vervangende dienst is ontslagen, heeft, indien hij ten gevolge van een ziekte of gebrek verband houdende met de tewerkstelling tijdelijk niet in staat is: de inkomsten te verwerven die hij uit hoofde van zijn beroep of bedrijf gemiddeld verdiende of zou kunnen verdienen; de inkomsten te verwerven die hij zo de inkomsten, bedoeld onder a, niet kunnen worden vastgesteld – zou kunnen verdienen met arbeid die voor zijn krachten en bekwaamheid is berekend; recht op een uitkering zolang hij in vorenbedoelde omstandigheden verkeert, doch ten hoogste gedurende twee jaar. Dit recht bestaat niet, indien uit andere hoofde aanspraak bestaat op inkomsten, waarvan het totale bedrag gelijk is aan of hoger is dan dat van de inkomsten, bedoeld onder a of b. 2. Het bedrag van de uitkering is gelijk aan het verschil tussen de inkomsten bedoeld in het eerste lid onder a of b, en de inkomsten waarop degene aan wie de uitkering wordt verstrekt, uit andere hoofde aanspraak heeft of aanspraak had kunnen maken gedurende de tijd waarin hij verkeert in de omstandigheden bedoeld in het eerste lid. 3. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid worden als inkomsten waarop de rechthebbende uit andere hoofde aanspraak kan maken, aangemerkt: inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf; uitkeringen krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (Stb. 1972, 313) of krachtens enige sociale verzekeringswet; uitkeringen wegens een particuliere verzekering ter zake van de geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid; inkomsten op grond van de Algemene Militaire Pensioenwet (Stb. 1966, 445), met uitzondering van het invaliditeitspensioen ingevolge artikel E4 en van de bijzondere invaliditeitsverhoging ingevolge de artikelen E8 en E9 van die wet. 4. De minister kan in bijzondere gevallen: de termijn van twee jaar verlengen; op de uitkering een suppletie verlenen. 5. Op de uitkering is het bepaalde in artikel 5, vijfde en zesde lid, van overeenkomstige toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel