**1.** Formulering van een regel in de vorm van een fictie wordt vermeden.
**2.** Voor een weerlegbaar rechtsvermoeden wordt de formulering ‘wordt/worden vermoed’ gebruikt.
Toelichting
Eerste lid. Een fictie in een wettelijk voorschrift (‘wordt geacht’) levert een onweerlegbaar rechtsvermoeden op. Vaak is het mogelijk in plaats van een fictie de vorm te kiezen van een gelijkstelling of het van overeenkomstige toepassing verklaren van andere regels. Zie ook aanwijzing 5.1, tweede lid.
Tweede lid. Een weerlegbaar rechtsvermoeden kan onder meer worden gebruikt om op niet-dwingende wijze naar normalisatienormen te verwijzen. Zie ook aanwijzing 3.48.
Veiligheidscomponenten, subsystemen en kabelbaaninstallaties die overeenstemmen met door Onze Minister aan te wijzen nationale normen ter omzetting van geharmoniseerde normen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de richtlijn, worden vermoed te voldoen aan de essentiële eisen. (Artikel 4, eerste lid, van de Wet kabelbaaninstallaties)
Hoofdstuk 3 › § 3.1
Artikel 3.10
Ficties en rechtsvermoedens
Onderdeel van Aanwijzingen voor de regelgeving· Staats- en bestuursrecht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2018