Naar hoofdinhoud

Artikel 13

Artikel 13

Onderdeel van Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 1 oktober 2006

1. De in artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel i, van de wet bedoelde teruggaaf wordt slechts verleend indien: direct achter de bestuurderszitplaats een vaste wand van kogelvrij materiaal is aangebracht over de gehele breedte van de personenauto of de bestelauto; de achterruimte niet is voorzien van zitplaatsen en veiligheidsgordels, met uitzondering van een zitplaats voor een bewaker; de vloer van de achterruimte uit één stuk bestaat; de kluizen in de achterruimte onverbrekelijk met de bodem zijn verbonden; de personenauto of de bestelauto voor de beveiliging van de inzittenden voldoende is gepantserd; en de personenauto of de bestelauto uitsluitend wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van geld of waarden. 2. De in artikel 15, vierde lid, van de wet bedoelde aangifte wordt gedaan indien niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden en beperkingen in het eerste lid, of indien het motorrijtuig binnen acht jaren na het tijdstip waarop het recht op teruggaaf is ontstaan, wordt afgestoten. Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel II, onderdelen B, C en D, van de Wet van 5 april 2006, houdende wijziging van de Wet op de accijns en van enkele andere wetten (Stb. 194) in werking treedt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel