**1.** Indien degene die meent dat in zijn nadeel een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in deze wet, in rechte feiten aanvoert die dat onderscheid kunnen doen vermoeden, dient de wederpartij te bewijzen dat niet in strijd met deze wet is gehandeld.
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op vorderingen als bedoeld in artikel 305a van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 305a van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES en op beroepen ingesteld in bestuursrechtelijke procedures door belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht of artikel 7, eerste lid, derde zin, van de Wet administratieve rechtspraak BES.
Hoofdstuk 1 › § 5
Artikel 10
Artikel 10
Onderdeel van Algemene wet gelijke behandeling· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2026